ECLI:NL:PHR:2007:AZ4724
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling getuigenverzoeken en toepassing vermogensvergelijking in ontnemingsprocedure
Deze zaak betreft een ontnemingsprocedure waarbij het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld via een vermogensvergelijking. De verdediging betwistte dat het beginvermogen van de veroordeelde op nihil gesteld mocht worden en verzocht om het horen van meerdere getuigen ter onderbouwing van een aanzienlijk beginvermogen.
Het hof wees deze verzoeken af omdat zij onvoldoende concreet en gemotiveerd waren en omdat sommige getuigen reeds in een eerder stadium waren gehoord waarbij de verdediging in de gelegenheid was gesteld vragen te stellen. De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslastverdeling in ontnemingszaken anders is dan in strafzaken en dat de schatting van het voordeel ontleend moet worden aan wettige bewijsmiddelen.
Ook bevestigt de Hoge Raad dat de wetswijziging die lijfsdwang invoerde in plaats van vervangende hechtenis niet met terugwerkende kracht geldt voor feiten van vóór 1 maart 1993, en dat het niet toepassen van vervangende hechtenis niet in strijd is met art. 7 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat de afwijzing van getuigenverzoeken niet onbegrijpelijk is gezien het ontbreken van concrete onderbouwing en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdediging door het niet horen van de getuigen niet redelijkerwijs in haar verdedigingsbelang is geschaad.
De uitspraak bevestigt de mogelijkheid om in ontnemingsprocedures gebruik te maken van vermogensvergelijking als methode, mits de veroordeelde de kans krijgt aannemelijk te maken waarom het vastgestelde voordeel niet geheel uit strafbare feiten voortkomt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de getuigenverzoeken onvoldoende concreet waren en dat de methode van vermogensvergelijking toegepast mag worden.