ECLI:NL:PHR:2007:AZ3134
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens verjaring en overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een verstekarrest waarin verdachte is veroordeeld voor zware mishandeling en vernieling gepleegd in 1994. De Hoge Raad constateert dat het recht tot strafvordering voor het tweede feit is verjaard omdat gedurende zes jaren voorafgaand aan het cassatieberoep geen daad van vervolging is verricht.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie niet de nodige voortvarendheid heeft betracht bij de betekening van het verstekarrest aan de verdachte, die sinds 1989 onafgebroken op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven. Hierdoor is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro overschreden.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten waarin soortgelijke situaties aan de orde waren en waar het OM eveneens niet-ontvankelijk werd verklaard wegens langdurige inactiviteit en gebrekkige betekening. Gelet op de ernst van de feiten en de lange duur van de vertraging, ruim acht jaar, acht de Hoge Raad het passend om het OM niet-ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Dit betekent dat de strafvordering niet kan worden voortgezet wegens verjaring en schending van het recht op een eerlijk proces door overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verjaring en overschrijding van de redelijke termijn.