ECLI:NL:PHR:2007:AX0678
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verbod op progressieve forensenbelasting en toetst redelijkheid tarief
Belanghebbende, eigenaar van een recreatiewoning, betwistte de door de gemeente opgelegde forensenbelasting 2002 met een progressief tarief. De gemeente had de forensenbelasting vastgesteld op basis van de waarde van de woning, met een tarief dat per klasse hoger werd, maar binnen een klasse gelijk bleef.
Het geschil betrof de vraag of het progressieve tarief verenigbaar is met artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, dat bepaalt dat het bedrag van gemeentelijke belastingen niet afhankelijk mag zijn van inkomen, winst of vermogen. De Hoge Raad bevestigde dat een dergelijk progressief tarief niet per definitie strijdig is, omdat het tarief niet direct aan draagkracht is gekoppeld maar aan de waarde van het onroerend goed.
De Hoge Raad overwoog verder dat de wetgever geen limiet heeft gesteld aan de hoogte van de forensenbelasting en dat de rechter slechts marginaal kan toetsen. De tariefstructuur met klassen is fiscaal gebruikelijk en valt binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever. Klachten over onredelijkheid, willekeur en eigendomsinbreuk werden verworpen, evenals het betoog dat de forensenbelasting onrechtmatig zou zijn vanwege het ontbreken van een redelijke bijdragebeoordeling.
Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waarmee de geldigheid van de progressieve tariefstelling binnen de wettelijke kaders werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de geldigheid van het progressieve tarief van de forensenbelasting binnen de wettelijke kaders.