ECLI:NL:PHR:2006:AY7916
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling en schending publicatieplicht
Deze zaak betreft de aansprakelijkheid van een (feitelijk) bestuurder van een middelgrote vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling volgens art. 2:248 BW Pro, vanwege het niet voldoen aan de publicatieplicht van de accountantsverklaring zoals voorgeschreven in art. 2:394 in Pro verbinding met art. 2:392 BW Pro.
De curator van de gefailleerde vennootschap vorderde betaling van het tekort, stellende dat de bestuurder zijn taak onbehoorlijk had vervuld door het ontbreken van de accountantsverklaring bij de jaarrekening. De rechtbank veroordeelde de bestuurder, het hof matigde de aansprakelijkheid tot een vijfde deel. De bestuurder stelde cassatie in tegen het oordeel dat het ontbreken van de accountantsverklaring automatisch onbehoorlijk bestuur inhoudt.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van de accountantsverklaring niet als een onbelangrijk verzuim kan worden aangemerkt en dat art. 2:248 lid 2 BW Pro een zwaar vermoeden van onbehoorlijk bestuur schept. De bestuurder kan dit vermoeden weerleggen door aannemelijk te maken dat andere omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Het hof heeft het bewijsaanbod van de bestuurder ten onrechte als irrelevant gepasseerd en had dit moeten betrekken in zijn beoordeling. De matiging van de aansprakelijkheid door het hof wordt als begrijpelijk beschouwd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het het bewijsaanbod van de bestuurder als irrelevant passeerde en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.