ECLI:NL:PHR:2006:AX5776
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Begrip en toepassing van art. 359 lid 3 Sv bij bekennende verdachte in medeplegen moord en lijkverbranding
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van moord en medeplegen van het verbranden en wegvoeren van een lijk met het oogmerk het overlijden te verhullen. Het hof had verdachte veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Verdachte had tijdens het hoger beroep een verklaring afgelegd waarin hij toegaf aan de moord en lijkverbranding te hebben deelgenomen, maar tevens enkele passages waarin hij zijn opzet betwistte. Het cassatiemiddel betoogde dat het hof ten onrechte volstond met een opgave van bewijsmiddelen zonder volledige motivering, omdat de bekentenis niet ondubbelzinnig zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 359 lid 3 Sv Pro zo moet worden uitgelegd dat een opgave van bewijsmiddelen volstaat indien verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij verdachte nadien anders verklaart of vrijspraak wordt bepleit. De uitleg van de feitenrechter over de bekentenis is in cassatie slechts toetsbaar op begrijpelijkheid. Het hof heeft terecht geoordeeld dat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, ook met betrekking tot het opzet op levensberoving, ondanks enkele passages waarin verdachte zijn opzet lijkt te ontkennen.
De Hoge Raad benadrukt dat de wetsgeschiedenis van art. 359 lid 3 Sv Pro aangeeft dat de bevoegdheid tot volstaan met een opgave van bewijsmiddelen alleen geldt bij afwezigheid van een daadwerkelijk geschilpunt. Verdachte heeft immers meerdere malen verklaard te hebben meegewerkt aan het wurgen en verbranden van het slachtoffer. De passages waarin verdachte zijn opzet ontkent, betreffen zijn subjectieve gemoedstoestand en inschatting van de ernst van het plan, maar tasten het bewezenverklaarde opzet niet aan.
Het cassatiemiddel faalt derhalve en het beroep wordt verworpen. De uitspraak bevestigt de praktische toepassing van art. 359 lid 3 Sv Pro en de ruimte voor het hof om bij een duidelijke bekentenis niet alle bewijsmiddelen integraal te hoeven uitwerken.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen; het hof mocht volstaan met een opgave van bewijsmiddelen bij een duidelijke bekentenis.