ECLI:NL:PHR:2006:AV2343
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk valse verklaring onder ede over winkeloppervlakte dierbenodigdheden
De verdachte, eigenaar van een tuincentrum, werd door het Hof Arnhem veroordeeld wegens het opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede over de oppervlakte van de afdeling dierbenodigdheden in zijn winkel op de peildatum 21 januari 1997. Deze verklaring was relevant in een bestuursrechtelijke procedure over de naleving van het bestemmingsplan.
Het Hof baseerde zijn oordeel mede op de verklaring van een getuige die betrokken was bij het maken van een video-opname in mei 1996, waaruit volgens het Hof bleek dat verdachte destijds bewust de werkelijke omvang van de dierbenodigdhedenafdeling wilde verhullen. De verdachte had op 14 januari 2003 als getuige verklaard dat de afdeling 305 m2 besloeg, terwijl uit de video en de getuigenverklaring bleek dat dit niet het geval was.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte op het moment van zijn verklaring in 2003 opzettelijk een onjuiste verklaring heeft afgelegd. De verklaring van verdachte op 14 maart 2003, waarin hij toegaf dat zijn tekening niet overeenkwam met de werkelijkheid op de datum van de video-opname, werd pas na zijn beëdigde verklaring afgelegd. Bovendien is niet duidelijk wanneer verdachte de video heeft gezien.
De enkele bedoeling om de werkelijkheid te verhullen in 1996 impliceert niet automatisch dat verdachte in 2003 bewust onwaarheid sprak. Gezien het tijdsverloop en de omstandigheden is onvoldoende bewezen dat sprake was van meineed. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk valse verklaring onder ede en de zaak wordt terugverwezen.