ECLI:NL:HR:2000:AA8974
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet bij opzettelijk aangaan van dubbel huwelijk
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk een dubbel huwelijk had aangegaan, dan wel wist dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aanging, zoals bedoeld in art. 237 Sr Pro. De verdachte was vrijgesproken van het eerste tenlastegelegde feit, maar veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van vals geschrift en het aangaan van een dubbel huwelijk.
Het Hof had vastgesteld dat verdachte op 3 augustus 1990 te Manila trouwde met betrokkene A, die eerder gehuwd was met de broer van verdachte en dat dit eerdere huwelijk niet was geannuleerd. Het Hof oordeelde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat betrokkene A nog gehuwd was toen hij met haar trouwde.
De Hoge Raad bevestigt dat onder het begrip 'weten' in art. 237 Sr Pro ook voorwaardelijk opzet valt, waarbij de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het eerdere huwelijk nog geldig is, voldoende is. De bewezenverklaring is naar behoren gemotiveerd en het cassatieberoep wordt verworpen.
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep niet tot cassatie kan leiden en dat de bestreden uitspraak niet ambtshalve vernietigd hoeft te worden. Daarmee blijft de veroordeling van twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk aangaan van een dubbel huwelijk wordt bevestigd.