ECLI:NL:PHR:2006:AV0625
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige overheidsdaad door foutieve registratie varkensrechten onder Wet herstructurering varkenshouderij
Deze zaak betreft een geschil tussen een voormalig varkenshouder en de Staat over de juiste registratie van mestproductierechten en verhandelbare varkensrechten. De varkenshouder betoogde dat de Staat onzorgvuldig handelde door in 1998 de onjuiste registratie van 1993 als uitgangspunt te nemen voor de vaststelling van varkensrechten onder de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv).
De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door de foutieve eerdere registratie als basis te gebruiken. Het hof veroordeelde de Staat tot correctie van de registratie en tot schadevergoeding wegens de negatieve invloed op de waarde van het bedrijf.
De Staat stelde beroep in cassatie in, onder meer met het verweer dat de vorderingen verjaard waren en dat de Whv geen uitzonderingen voor individuele gevallen toestond. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de registratie onder de Whv moet aansluiten bij de werkelijke situatie en niet op een foutieve eerdere registratie mag worden gebaseerd. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de brief van 12 oktober 1998 onvoldoende was om de verjaring te stuiten.
De Hoge Raad benadrukte dat een foutieve registratie de waarde van het bedrijf kan drukken en dat de Staat in 1998 een zelfstandige onrechtmatige daad pleegde. De zaak wordt verwezen voor verdere afwikkeling, waaronder de schadestaatprocedure.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door een foutieve registratie als uitgangspunt te nemen en wijst correctie en schadevergoeding toe.