ECLI:NL:PHR:2006:AU9241
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping pensioenverweer bij boedelverdeling na echtscheiding
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn na een verzoek tot echtscheiding door de man gescheiden. De vrouw heeft in hoger beroep een pensioenverweer gevoerd op grond van art. 1:153 lid 1 BW Pro, stellende dat door de echtscheiding haar pensioenvoorzieningen ernstig zouden worden aangetast. Het hof heeft dit verweer afgewezen omdat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het pensioenverweer, dat zich beperkt tot nabestaandenpensioen en vergelijkbare uitkeringen, hier van toepassing is.
De vrouw heeft tevens een bewijsaanbod gedaan om haar stellingen te onderbouwen, maar het hof heeft dit bewijsaanbod gepasseerd omdat het niet relevant was voor het pensioenverweer. De Hoge Raad bevestigt dat het pensioenverweer niet ziet op ouderdomspensioen of op spaargelden en onroerende zaken, en dat de vrouw onvoldoende concreet heeft gesteld welke uitkeringen zouden worden aangetast.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld en dat het bewijsaanbod terecht is gepasseerd. Ook een verzoek tot kostenveroordeling wordt afgewezen vanwege de terughoudendheid in procedures tussen (ex-)echtelieden. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het pensioenverweer van de vrouw wordt verworpen en het bewijsaanbod gepasseerd; het cassatieberoep wordt afgewezen.