ECLI:NL:PHR:2006:AU8094
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijk gebruik van vals geschrift ondanks dwaling verdachte over onherroepelijkheid vonnis
Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk gebruik van een valse bankcheque ter waarde van 500.000 Duitse mark. Verdachte had de cheque aangeboden bij de ABN AMRO bank, terwijl hij wist of had moeten weten dat deze vals was. Hij verklaarde dat het geld bedoeld was voor het opzetten van een dansschool, maar het hof achtte dit niet aannemelijk en concludeerde dat verdachte de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat de cheque vals was.
Daarnaast speelde een procedureel geschil over het recht van verdachte om bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. Verdachte was in de veronderstelling dat het vonnis van de politierechter onherroepelijk was, mede doordat de reclassering contact opnam over de uitvoering van een werkstraf. Deze dwaling was verschoonbaar omdat de kennisgeving van het CJIB onjuiste informatie bevatte. De Hoge Raad oordeelde dat verdachte hierdoor niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid bij de behandeling in hoger beroep.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde het oordeel van het hof dat sprake was van voorwaardelijk opzet bij het gebruik van het valse geschrift. Ook werd geoordeeld dat verdachte niet nalatig was in het informeren over zijn hoger beroep, maar dat hij wel had moeten nagaan wat de status van zijn zaak was. De veroordeling bleef in stand en verdachte krijgt de mogelijkheid om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te laten behandelen.
Uitkomst: Veroordeling tot vijf maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk gebruik van vals geschrift bevestigd; verdachte krijgt alsnog recht op behandeling in hoger beroep in persoon.