ECLI:NL:PHR:2006:AU3098
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afvalstoffenheffing en het uitvoeringsverbod van artikel 88 lid 3 EG-Verdrag
Deze zaak betreft een cassatieberoep over de afvalstoffenbelasting en de vraag of deze belasting valt onder het uitvoeringsverbod van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag (voorheen artikel 93). Belanghebbende, een regionale milieudienst die een stortplaats exploiteert, had afvalstoffenbelasting betaald over een bepaalde periode en stelde dat deze belasting onrechtmatig was geheven omdat zij onderdeel uitmaakte van een niet aangemelde staatssteunmaatregel.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) over de uitleg van het uitvoeringsverbod en de rechtstreekse werking daarvan. Het HvJ EG oordeelde dat een heffing slechts onder het verbod valt indien er een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing en de steun, en dat de opbrengst van de heffing rechtstreeks invloed moet hebben op de omvang van de steun.
De Hoge Raad concludeerde dat de afvalstoffenbelasting niet integraal onderdeel is van de steunmaatregelen, omdat de opbrengst in de algemene middelen vloeit en er geen dwingend bestemmingsverband is. Daarnaast werd bevestigd dat het begrip afvalstof in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) aansluit bij de ruime uitleg van het HvJ EG, waarbij nuttig hergebruik zonder nadere bewerking niet uitsluit dat sprake is van afvalstof.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond en dat van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, waarmee het oordeel van het hof werd bevestigd dat de afvalstoffenbelasting niet onder het uitvoeringsverbod valt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de afvalstoffenbelasting niet onder het uitvoeringsverbod valt en verklaart het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond.