ECLI:NL:PHR:2005:AU5233
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omgangsregeling tussen biologische vader en niet-erkend minderjarig kind na beëindiging affectieve relatie
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van een omgangsregeling tussen een biologische vader die het kind niet heeft erkend en zijn minderjarige kind na beëindiging van een korte affectieve relatie met de moeder. De moeder heeft het gezag over het kind en de vader heeft geen familierechtelijke betrekking. Na een periode van contact tussen vader en kind, verzocht de vader in 2003 om een omgangsregeling en een regeling omtrent consultatie- en informatieplicht van de moeder.
Het hof stelde vast dat er sprake was van 'family life' in de zin van art. 8 EVRM Pro, maar wees het verzoek om omgang grotendeels af vanwege de gespannen verhoudingen tussen ouders en de negatieve invloed daarvan op het kind. Proefcontacten waren mislukt en het hof vond overleg tussen ouders niet mogelijk. De Hoge Raad bevestigt dat voor niet-erkende vaders de toets is of het belang van het kind zich tegen omgang verzet, een lagere norm dan bij wettige ouders.
De Hoge Raad benadrukt de ruime beoordelingsmarge van de feitenrechter bij vaststelling van de omstandigheden en wijst op de noodzaak van zorgvuldigheid bij het onderzoeken van de belangenafweging. De klachten van de vader en moeder in cassatie worden verworpen, mede omdat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en binnen de beoordelingsmarge is gebleven. Het incidentele cassatieberoep van de moeder wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofbesluit dat omgangsrecht niet wordt toegewezen blijft in stand.