ECLI:NL:PHR:2007:BB9235
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen omgangsrecht tussen biologische ouder en geadopteerd kind zonder nauwe persoonlijke betrekking
De zaak betreft het verzoek van een biologische moeder en haar partner tot het vaststellen van een omgangsregeling met hun geadopteerde dochters. Na geboorte zijn de dochters afgestaan ter adoptie en is het ouderlijk gezag aan de adoptiefouders toegekend. De rechtbank en het hof verklaarden het verzoek niet-ontvankelijk omdat er geen sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de biologische ouders en de kinderen.
De Hoge Raad bevestigt dat adoptie de familierechtelijke betrekking tussen het kind en de biologische ouders beëindigt, en dat voor het toekennen van omgangsrecht op grond van art. 1:377f BW een nauwe persoonlijke betrekking vereist is. De enkele biologische band en het feit dat de adoptiefouders jaarlijks schriftelijk verslag deden aan de biologische moeder, vormen geen voldoende basis voor een nauwe persoonlijke betrekking.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het onderscheid tussen de maatstaven in art. 1:377a en 1:377f BW niet onrechtmatig is zolang er geen nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Ook wordt geoordeeld dat het recht op family life uit art. 8 EVRM Pro niet wordt geschonden omdat de feitelijke omstandigheden geen duurzame persoonlijke band tonen. Het beroep op internationale verdragen zoals het IVRK biedt geen recht op omgang zonder deze persoonlijke band.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee dat zonder nauwe persoonlijke betrekking geen omgangsrecht kan worden toegekend aan de biologische ouders na adoptie.
Uitkomst: Het verzoek tot omgangsrecht en informatie door de biologische moeder en haar partner wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking met de geadopteerde kinderen.