ECLI:NL:PHR:2008:BC3927
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omgangsregeling zaaddonor met kind en toepassing art. 1:377a en 1:377f BW
In deze zaak verzocht een man, die als zaaddonor heeft bijgedragen aan de geboorte van een kind, om vaststelling van een omgangsregeling met het kind. De moeder en haar partner, die gezamenlijk het gezag uitoefenen, weigerden verdere omgang na beëindiging van de eerdere omgangsregeling. De rechtbank wees het verzoek af en het hof bekrachtigde deze beslissing.
De man stelde in cassatie dat het hof onjuist de maatstaf van artikel 1:377f BW had toegepast, terwijl volgens hem de strengere criteria van artikel 1:377a BW, die gelden voor niet met gezag belaste ouders, van toepassing zouden moeten zijn vanwege het bestaan van een family life tussen hem en het kind. Hij verwees daarbij naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) die discriminatie tussen juridische en biologische vaders verbiedt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de toets van artikel 1:377f BW heeft toegepast, omdat de man biologisch vader is en niet de juridische ouder. Wel erkende de Hoge Raad dat het onderscheid tussen juridische en biologische ouders in de omgangsrechtspraak in strijd kan zijn met artikel 14 EVRM Pro, maar dat dit in deze zaak niet tot cassatie leidt. Het hof had bovendien voldoende gemotiveerd dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van het kind.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De zaak illustreert de complexe afweging tussen het belang van het kind, de rechten van biologische ouders en de toepassing van nationale en internationale rechtsnormen in het familierecht.
Uitkomst: Het verzoek van de zaaddonor tot het vaststellen van een omgangsregeling met het kind is afgewezen vanwege het belang van het kind.