ECLI:NL:PHR:2005:AT6839
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid tariefclausules kabelovereenkomst en wijst onderhandelingsvordering af
In deze zaak staat centraal de vraag of bepaalde tariefclausules in de exploitatieovereenkomst tussen UPC en de gemeente Hilversum uit 1996 een verhoging van het kabelabonnementstarief door UPC belemmeren. De gemeente vorderde in kort geding dat UPC haar tarieven niet boven het contractueel toegestane niveau zou verhogen. UPC stelde dat de tariefbepalingen nietig zijn wegens strijd met artikel 7 lid 2 van Pro de Grondwet en vorderde tevens dat de gemeente verplicht werd te goeder trouw te onderhandelen over aanpassing van de overeenkomst.
Het hof oordeelde dat de tariefclausules niet in strijd zijn met de Grondwet en dat UPC onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze bepalingen haar vrijheid van meningsuiting beperken. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst de klachten van UPC af. De Hoge Raad benadrukt dat de uitleg van de tariefclausules door het hof niet onbegrijpelijk is en dat de clausules ruimte bieden voor doorberekening van hogere externe kosten, waaronder doorgiftevergoedingen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat er geen juridische grondslag bestaat voor een onderhandelingsplicht van de gemeente ten aanzien van de tarieven, ook niet op grond van redelijkheid en billijkheid. Hoewel partijen onderhandelingen hebben gevoerd, is het voeren van onderhandelingen geen verplichting en mag een partij deze staken. De Hoge Raad wijst de vordering van UPC tot het afdwingen van onderhandelingen af. Het beroep van UPC wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de geldigheid van de tariefclausules en wijst de vordering van UPC tot onderhandeling af.