ECLI:NL:PHR:2005:AS5756
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over omkering bewijslast en brutering loonbelasting bij Poolse werknemers
Deze zaak betreft de loonbelastingheffing over de jaren 1993 tot en met 1998 waarbij de belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, Poolse werknemers via een schijnconstructie als vennoten inschreef om loonbelasting te ontwijken.
De Belastingdienst stelde naheffingsaanslagen loonbelasting vast en legde boetes op wegens het niet afdragen van loonbelasting. Het Hof oordeelde dat de Polen in dienstbetrekking stonden en de boetes terecht waren, maar stelde dat de brutering van loonbelasting onterecht was toegepast omdat niet was aangetoond dat de werkgever afzag van verhaal op de werknemers.
De Hoge Raad verduidelijkt dat de omkering van de bewijslast bij het ontbreken van vereiste aangiften niet automatisch betekent dat ook de brutering van loonbelasting aanstonds mag plaatsvinden. De fiscus moet aannemelijk maken dat de werkgever bij de loonbetaling al afzag van verhaal of zichzelf in een positie bracht waarin verhaal onmogelijk was.
De Hoge Raad bevestigt dat het ontbreken van aangifte leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, maar dat willekeurige naheffingen of verplaatsing van belastbare feiten in de tijd niet zijn toegestaan. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de fiscus niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever afzag van verhaal in de relevante tijdvakken.
De conclusie is dat de zes cassatieberoepen ongegrond verklaard moeten worden, waarmee het oordeel van het Hof standhoudt dat de brutering niet terecht is toegepast zonder voldoende bewijs van afzien van verhaal.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt dat brutering van loonbelasting niet terecht is toegepast zonder bewijs dat werkgever afzag van verhaal.