ECLI:NL:PHR:2005:AS3730
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat optievergoeding ook bij niet-doorgang koop grond verschuldigd is
In deze zaak draait het om de uitleg van een koopovereenkomst betreffende bouwrijpe grond in Rotterdam, waarbij de vraag centraal stond of een optievergoeding verschuldigd is wanneer de koop niet doorgaat. De verkoper vordert betaling van een optievergoeding van 5% van de koopsom vanaf 1 juli 1998, ook indien de levering niet plaatsvindt.
De rechtbank wees de vordering af omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat partijen een optievergoeding waren overeengekomen. Het hof stelde echter vast dat uit de getuigenverklaringen van de verkoper en betrokken getuigen blijkt dat een optievergoeding is overeengekomen die ook verschuldigd is bij niet-doorgang van de koop, mede gelet op het gebruik in de branche en de omstandigheden van de zaak.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst de cassatieklachten af. Het hof heeft de verklaringen van getuigen op juiste wijze gewogen en de betekenis van de term optievergoeding in de gegeven omstandigheden juist vastgesteld. Ook acht het hof het niet onredelijk dat een verkoper een vergoeding verlangt voor het ter beschikking houden van grond gedurende een aanzienlijke periode, ook als de koop niet doorgaat.
De Hoge Raad benadrukt dat bij de uitleg van overeenkomsten de zin die partijen redelijkerwijs aan bepalingen mochten toekennen en hun wederzijdse verwachtingen bepalend zijn, conform de Haviltex-maatstaf. Het arrest bevestigt dat een optievergoeding in de vastgoedpraktijk gebruikelijk is en ook verschuldigd kan zijn indien de koop niet doorgaat.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de optievergoeding ook verschuldigd is indien de koop niet doorgaat en wijst de cassatie af.