ECLI:NL:PHR:2005:AI0754
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling plaats van onttrekking voor heffing omzetbelasting bij extern communautair douanevervoer
De zaak betreft de heffing van omzetbelasting bij onttrekking van goederen die onder extern communautair douanevervoer zijn geplaatst. De kern van het geschil is waar de onttrekking zich heeft voorgedaan, wat bepalend is voor de bevoegdheid van Nederland om omzetbelasting te heffen.
De feiten betreffen drie zaken met personenauto's die vanuit Nederland naar Polen werden vervoerd, waarbij onduidelijkheid bestond of de auto's daadwerkelijk in Polen waren aangekomen. Het Hof had geoordeeld dat onvoldoende bewijs bestond dat de auto's in Polen waren gearriveerd en dat de bewijslast bij de inspecteur lag om aan te tonen dat de onttrekking in Nederland had plaatsgevonden.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof, met name over de bewijslastverdeling en de toepassing van Europese douanebepalingen. De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat bij onttrekking aan douaneregeling de plaatsbepaling voor omzetbelasting in beginsel samenvalt met de plaats van onttrekking, en dat bij onbekendheid van die plaats fictieve plaatsbepalingen uit het douanerecht (artikel 34 Verordening Pro 2726/90 en artikel 378 TCDW Pro) van toepassing zijn.
De conclusie behandelt uitgebreid de verschillen tussen douaneschuld en omzetbelastingschuld, de toepasselijkheid van Europese regelgeving, en de rol van de Commissie versus de Raad bij het vaststellen van uitvoeringsbepalingen. Uiteindelijk wordt geconcludeerd dat in zaken 38.528 en 38.530 het beroep gegrond is en de uitspraak van het Hof vernietigd moet worden, terwijl in zaak 38.529 het beroep ongegrond is.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard voor twee zaken waarbij de heffing van omzetbelasting in Nederland wordt bevestigd, en ongegrond verklaard voor één zaak.