ECLI:NL:PHR:2004:AV2703
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid en bewijslast bij onttrekking goederen onder carnet TIR-regeling
In deze zaak staat centraal of de Staatssecretaris van Financiën terecht een uitnodiging tot betaling (UTB) heeft opgelegd aan belanghebbende, houder van twee carnets TIR, wegens onttrekking van goederen aan het douanetoezicht. Het geschil betreft de heffing van douanerechten, accijns en omzetbelasting over sigaretten die onder de TIR-regeling vervoerd werden.
De feiten tonen aan dat de goederen niet zijn aangeboden bij het douanekantoor van doorgang in Spanje, en dat valse stempels op de carnets zijn geplaatst. Het Hof oordeelde dat de onttrekking aan het douanetoezicht in Nederland heeft plaatsgevonden en dat belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de belastingen. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de bewijslast onterecht op haar rust en dat zij niet tijdig is geïnformeerd over de niet-zuivering van de carnets.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de toepasselijke regelgeving, waaronder de TIR-Overeenkomst, communautaire verordeningen en nationale wetgeving (AWDA). Het oordeel is dat de bewijslastverdeling en kennisgevingstermijnen cruciaal zijn, en dat de inspecteur belanghebbende eerst in de gelegenheid had moeten stellen bewijs te leveren van de regelmatigheid van het vervoer. Omdat niet is vastgesteld of een dergelijke kennisgeving met bewijstermijn is gegeven, wordt de zaak verwezen voor nader onderzoek. Tevens wordt bevestigd dat de houder van het carnet TIR op grond van artikel 54 AWDA Pro hoofdelijk aansprakelijk is voor de douaneschuld, ongeacht opzet of medeweten.
Uitkomst: De zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar de kennisgeving en bewijslast, terwijl de aansprakelijkheid van belanghebbende als houder van het carnet TIR wordt bevestigd.