ECLI:NL:PHR:2003:AI0308
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid curator en verjaring vordering tot volstorting aandelen bij faillissement
In deze zaak staat centraal of de curator in faillissement een eigen rechtsvordering tot volstorting van aandelen heeft dan wel een rechtsvordering van de vennootschap uitoefent. Daarnaast wordt beoordeeld of de vordering tot volstorting kan verjaren en wanneer de verjaringstermijn aanvangt.
De Hoge Raad stelt dat de curator op grond van artikel 2:193 BW Pro een zelfstandige bevoegdheid heeft om de stortingsvordering namens de vennootschap uit te oefenen, maar geen eigen rechtsvordering bezit. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en het karakter van de curator als beheerder van de boedel.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de vordering tot volstorting een verbintenis uit overeenkomst betreft die onderhevig is aan de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:307 BW Pro. De verjaring begint te lopen vanaf het moment dat de vordering opeisbaar is, in casu een maand na de oprichting van de vennootschap. De vordering was derhalve verjaard op het moment dat de curator deze opeiste.
De Hoge Raad wijst op het bijzondere karakter van de stortingsplicht en de bescherming van crediteuren, maar concludeert dat dit niet leidt tot een uitzondering op de verjaringsregels. Ook de mogelijkheid tot verlenging van de verjaringstermijn in specifieke gevallen wordt besproken, maar is hier niet van toepassing.
Het beroep van de curator wordt verworpen, waarmee het hofarrest wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De vordering tot volstorting van aandelen was verjaard en de curator heeft geen eigen rechtsvordering, waardoor het beroep van de curator wordt verworpen.