ECLI:NL:PHR:2003:AF0197
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffing accijns op minerale oliën bij niet-gevaren schip gebruikt als ijsfabriek
Belanghebbende, eigenaar van het schip C, kreeg in 1988 een bunkervergunning voor accijnsvrije minerale oliën bestemd voor voortdrijving van schepen. Het schip voer echter niet in de periode 1992-1996 en werd gebruikt als ijsfabriek, waarbij de vrijgestelde oliën werden gebruikt voor generatoren. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op wegens onterechte vrijstelling van accijns en andere belastingen.
Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof, dat de naheffingsaanslagen matigde maar wel handhaafde. Belanghebbende stelde cassatie in tegen het Hofarrest. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van het begrip 'uitslag tot verbruik' in de accijnsrichtlijn.
Na beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie bevestigde de Hoge Raad dat het enkele voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet overeenkomstig de wet in de heffing zijn betrokken, kan worden aangemerkt als uitslag tot verbruik en dat accijns daarop kan worden geheven. De Hoge Raad verwierp de middelen van belanghebbende en bevestigde dat de accijns terecht is nageheven. Tevens werd bevestigd dat meerdere belastingplichtigen voor hetzelfde belastbare feit kunnen worden aangeslagen zonder dat een rangorde geldt.
De Hoge Raad benadrukte dat de bunkervergunning geen definitieve vrijstelling verleent en dat het gebruik van minerale oliën voor andere doeleinden dan voortdrijving of scheepsbehoeften niet onder de vrijstelling valt. Belanghebbende kon zich niet beroepen op een door de Inspecteur gewekt vertrouwen. De naheffingsaanslagen en heffingen werden daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de naheffingsaanslagen accijns en andere heffingen tegen belanghebbende.