ECLI:NL:PHR:2002:AF0585
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag door geestelijk gestoorde werknemer en loonvordering na vernietiging ontslag
De zaak betreft een werknemer die in 1988 in dienst trad en in 1997 wegens ziekte uitviel. Hij nam op 17 oktober 1997 ontslag, terwijl hij leed aan een psychiatrische stoornis waardoor hij zijn wil niet kon bepalen. De werkgever bevestigde het ontslag en betaalde loon tot 10 november 1997. De werknemer stelde dat het ontslag vernietigbaar was en vorderde loonbetaling tot aan de WAO-uitkering.
De kantonrechter wees de vordering in eerste aanleg af, stellende dat de werkgever niet hoefde te begrijpen dat de werknemer onder invloed van een stoornis handelde. In hoger beroep werd de loonvordering toegewezen omdat de werknemer niet in staat was zijn wil te bepalen en de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij nadeel had geleden.
In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het bewijsvermoeden van causaal verband tussen stoornis en ontslag niet zonder meer geldt als de werkgever in gerechtvaardigd vertrouwen verkeerde dat het ontslag gewild was. De Hoge Raad bevestigt dat de werknemer terecht het ontslag kan vernietigen wegens wilsonbekwaamheid en dat de werkgever geen nadeel heeft ondervonden. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor beoordeling van het matigingsverzoek van de werkgever op grond van redelijkheid en billijkheid.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak verwezen voor nadere beoordeling van het matigingsverzoek van de loonvordering.