Uitspraak
22 november 1991.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak vordert de werknemer betaling van achterstallig loon en doorbetaling na een betwist ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst de loonvordering toe, ondanks dat de ontvangst van de ontslagbrief door de werknemer onduidelijk blijft. De rechtbank bekrachtigt dit vonnis, waarbij wordt aangenomen dat de ontslagbrief de werknemer niet heeft bereikt, maar dat het ontslag toch rechtsgeldig was vanwege het ontbreken van een dringende reden.
De Hoge Raad beoordeelt het hoger beroep van de werkgever tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de werkgever het standpunt heeft prijsgegeven dat de ontslagbrief is ontvangen, terwijl hierover geen beslissing was genomen. Ook is het oordeel van de rechtbank over het weigeren van de werknemer om te verschijnen op het werk als geen onjuiste rechtsopvatting beoordeeld.
De Hoge Raad stelt echter vast dat de rechtbank het verzoek tot matiging van de loonvordering onbesproken heeft gelaten, wat een motiveringsgebrek oplevert. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof te ’s-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing. De werknemer wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank Rotterdam wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling.