ECLI:NL:PHR:2002:AE2343
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bewijslast en gebruik daktuin bij onderverhuur woning
Deze zaak betreft een geschil tussen een huurder en verhuurder over het gebruik van een daktuin en de vraag of de huurder de woning zelf bewoont terwijl hij een deel onderverhuurt. De huurder had een daktuin op een aan de woning grenzend dak aangelegd en verhuurde een deel van de woning aan een bedrijfsleidster. De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens onrechtmatige wederverhuur en onrechtmatig gebruik van het dak.
De rechtbank had geoordeeld dat de huurder tot bewijs moest worden toegelaten dat hij de woning zelf bewoont en slechts een deel onderverhuurt, en dat bij het niet slagen in dit bewijs ontbinding gerechtvaardigd is. De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de bewijsopdracht en de invulling van het begrip zelfbewoning in het kader van art. 7A:1595 BW, waarbij het begrip hoofdverblijf en het bewijs daarvan centraal staan.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsopdracht aan de huurder niet onjuist is en dat de rechtbank haar beslissing over de gerechtvaardigdheid van ontbinding beter kan aanhouden tot na bewijslevering. Tevens vernietigt de Hoge Raad het oordeel over de kosten van terugplaatsing van de daktuin en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling. De klachten over het gebruik van het dak en de aansprakelijkheid voor schade worden niet gegrond verklaard.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt oordeel over ontbinding en kosten terugplaatsing daktuin en verwijst zaak terug naar rechtbank.