ECLI:NL:PHR:2002:AD8186
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsrechtelijke kwalificatie dienstbetrekking tussen schoonmaker en bank
In deze zaak stond centraal of de werknemer, die aanvankelijk als schoonmaker via een schoonmaakbedrijf bij de bank werkte, later als werknemer van de bank kon worden aangemerkt. De werknemer verrichtte vanaf 1990 verschillende werkzaamheden voor de bank, waaronder chauffeur en beheer van het meldpunt kantoormachines. De bank kende hem een salarisverhoging toe volgens de CAO voor het bankbedrijf, hoger dan de schoonmaak-CAO. De bank kondigde later aan de werkzaamheden van de werknemer te beëindigen, waarop de werknemer stelde dat hij voor onbepaalde tijd bij de bank in dienst was.
De rechtbank oordeelde dat de werknemer als eigen medewerker van de bank moest worden beschouwd, mede omdat hij wekelijks werkbriefjes bleef indienen bij het schoonmaakbedrijf, dat zijn salaris bleef betalen, maar de bank feitelijk gezagsverhouding en loon verschafte. De bank voerde in cassatie aan dat de rechtbank ten onrechte alleen naar de feitelijke uitvoering had gekeken en niet naar de wilsovereenstemming tussen partijen.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank terecht de geobjectiveerde bedoeling van partijen heeft onderzocht aan de hand van hun gedragingen en dat het niet noodzakelijk is dat er een duidelijke wilsovereenstemming bestaat, vooral bij organisaties met verschillende actoren. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de werknemer als eigen medewerker van de bank moet worden aangemerkt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de werknemer wordt als eigen medewerker van de bank aangemerkt.