ECLI:NL:PHR:2000:AA6921
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toerekening van rentekosten bij vermogenswinst op aandelen in Franse onroerend-goedmaatschappij
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, heeft in 1989 en 1990 aandelen in een Franse onroerend-goedmaatschappij verworven en deze in 1990 met winst verkocht. De Hoge Raad behandelt de vraag of en in hoeverre de rentekosten die zijn gemaakt voor de financiering van deze aandelen in mindering mogen worden gebracht op de vrij te stellen vermogenswinst ter voorkoming van dubbele belasting. De Hoge Raad bevestigt dat het Nederlandse fiscale regime voor winst uit onderneming leidend is bij de bepaling van de omvang van de vrijstelling.
De Hoge Raad overweegt dat rentekosten die direct verband houden met de aankoop en het bezit van de aandelen toerekenbaar zijn aan de vermogenswinst, mits de lening is aangegaan met het oog op het behalen van koerswinsten. Daarbij wordt het onderscheid gemaakt tussen rentekosten die betrekking hebben op het jaar van verkoop en die van voorgaande jaren. De rentekosten van het jaar van verkoop worden direct in aanmerking genomen, terwijl rentekosten van voorgaande jaren via de inhaalregeling worden verwerkt.
De Hoge Raad bevestigt dat het Verdrag tussen Nederland en Frankrijk het heffingsrecht over vermogenswinsten op aandelen in onroerend-goedmaatschappijen toewijst aan Frankrijk, en Nederland een vrijstelling met grondslagvoorbehoud moet verlenen. De berekening van deze vrijstelling dient te geschieden volgens het Nederlandse fiscale recht, waarbij rentekosten als kostenposten in aanmerking komen. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt het oordeel van het Hof dat de rentekosten in de berekening van de voorkomingsbreuk moeten worden betrokken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; rentekosten mogen worden toegerekend aan de vermogenswinst volgens het Nederlandse fiscale regime.