Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 29 augustus 1968 betreffende de hem opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1964;
Hoge Raad
Belanghebbende, een aannemer en exploitant van onroerend goed, bouwde in 1964 flats en loodsen voor eigen exploitatie met behulp van een hypothecair krediet. De rente over dit krediet, betaald tijdens de bouw en successievelijk opgenomen, werd ten laste van de winst gebracht. De inspecteur stelde dat deze rente geactiveerd moest worden als onderdeel van de stichtingskosten van de bedrijfsmiddelen. Het hof bevestigde dit standpunt en handhaafde de aanslag tot navordering.
Belanghebbende voerde aan dat rente over vreemd vermogen niet geactiveerd behoefde te worden en als bedrijfskosten moest worden behandeld, mede omdat het hypothecaire krediet in termijnen werd verstrekt. Hij verwees naar het arrest van de Hoge Raad uit 1946 en de Wet Belastingherziening 1950 om zijn standpunt te onderbouwen.
De Hoge Raad oordeelde dat de voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen ook de rente tijdens de bouw omvatten, ongeacht of de bouw met eigen geld of vreemd vermogen werd gefinancierd. De rente moest worden geactiveerd bij de kostprijs van de gebouwen. Het cassatiemiddel werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat hypotheekrente tijdens de bouw geactiveerd moet worden als onderdeel van de voortbrengingskosten.