ECLI:NL:PHR:2000:AA6596
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling van premieplicht volksverzekeringen bij buitenlandse uitkeringen en toepassing EG-verordening
De zaak betreft een ingezetene die na terugkeer uit Duitsland in Nederland woont en in 1993 zowel Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als een Nederlandse WAO-uitkering ontvangt. Hij verzoekt vrijstelling van de premieplicht volksverzekeringen op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (BUB 1989), artikel 24, maar dit verzoek wordt afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt een eerdere uitspraak van de rechtbank omdat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) niet op juiste wijze heeft onderzocht of de belanghebbende in Duitsland onderworpen was aan de sociale verzekeringswetgeving, zoals vereist door EG-verordening 1408/71 en uitvoeringsverordening 574/72. De Hoge Raad bevestigt dat de vraag naar onderworpenheid aan Duitse wetgeving essentieel is voor de premieplicht in Nederland.
De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling ingevolge artikel 24 BUB Pro 1989 niet verder terugwerkt dan de datum van het verzoek, tenzij al vóór 1 juli 1989 aan de voorwaarden werd voldaan. De belanghebbende voldeed hier niet aan. Ook wordt geoordeeld dat de koppeling van de vrijstelling aan de datum van het verzoek niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het EG-recht.
Ten slotte stelt de Hoge Raad dat de beoordeling van de premieplicht bij de belastingrechter hoort, terwijl de beoordeling van het vrijstellingsverzoek bij de bestuursrechter thuishoort. De zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar de verzekeringspositie in Duitsland in 1993 en toepassing van eerdere arresten over premiekorting.
Uitkomst: De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nader onderzoek naar de verzekeringspositie in Duitsland en toepassing van premievrijstelling.