ECLI:NL:HR:2000:AA6596
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak over premieplicht volksverzekeringen bij terugkeer uit Duitsland
Belanghebbende, geboren in 1939, woonde en werkte tot 1989 in Duitsland en ontving in 1993 Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en een Nederlandse WAO-uitkering. Hij verzocht om vrijstelling van premie volksverzekeringen over de Duitse uitkeringen, maar dit werd afgewezen door de SVB en bevestigd door lagere rechters. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraken vanwege onjuist onderzoek naar de Duitse verzekeringspositie.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of belanghebbende in 1993 nog onderworpen was aan de Duitse sociale verzekeringswetgeving, zoals vereist op grond van artikel 13, lid 2, sub f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. De zaak wordt daarom verwezen naar het gerechtshof voor een correcte feitelijke vaststelling van de Duitse verzekeringspositie.
Verder overweegt de Hoge Raad dat de vrijstelling van premieheffing ingevolge het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (BUB 1989) niet met terugwerkende kracht kan worden verleend behalve in specifieke gevallen, en dat dit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het Europese recht. De Hoge Raad bevestigt dat de beoordeling van de premieplicht bij de belastingrechter hoort, terwijl de beoordeling van het SVB-besluit over vrijstelling aan de bestuursrechter is voorbehouden.
De Hoge Raad gelast dat de Staatssecretaris van Financiën het griffierecht vergoedt en veroordeelt hem in de proceskosten. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar de Duitse verzekeringspositie en verdere behandeling naar het gerechtshof Amsterdam.