Conclusie
Vraag Adient m.i. bevestigend te worden beantwoord. [A] heeft de onderhavige balen grondnoten (bij voorbaat) aan [verweerster] overgedragen en is deze, nadat hij ze geleverd had gekregen van [eiseres] , voor [verweerster] gaan houden door middel van een derde, [B] , die de goederen onder zich had. De levering [A] - [verweerster] is derhalve geschied constituto possessorio (
nietlonga manu, zoals in onderdeel 1 van het middel wordt gesteld, doch in nr. 10 i.f. van de toelichting wordt herroepen). Vgl. over de levering c.p. van goederen die zich onder een derde bevinden o.m. Asser-Beekhuis I, nrs. 217, 219 en 347, Mijnssen/Schut, Bezit, levering en overdracht volgens BW en NBW (1984), blz. 103, Parl. Gesch. Boek 3, blz. 437 v. Door deze levering c.p. is [verweerster] bezitter en eigenaar geworden.
nietverloren gaat, het indertijd (HR 6 maart 1970, NJ 1970, 433, Van Wessem-Traffic) heel wat makkelijker zou zijn geweest om Traffic op die grond gelijk te geven (n.a.v. het toen niet behandelde onderdeel
cvan het middel).
aindien de bevoorrechte schuldeiser met de vervreemding heeft ingestemd, en
bvanaf het tijdstip dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen. Dat art. 3.4.2.5 lid 2 ook betrekking heeft op voorrechten blijkt uit de memorie van antwoord II bij het eerste gedeelte van de invoeringswet (16 593, nr. 5), blz. 20. Art. 3.10.3.3 lid 2, derde zin (ingevoegd bij het vierde deel van de invoeringswet, w.o. 17 496, nr. 3, blz. 47), vormt derhalve een toepassing van, geen uitzondering op voormeld lid 2. Anders nog mijn Compendium (1984) nr. 98, gevolgd door Schoordijk, Vermogensrecht in het algemeen (1986) blz. 305. Als hierboven Vriesendorp, Groninger opmerkingen en mededelingen nr. 3 (1987) blz. 49 v. Ik moge de vraag laten rusten of de oplossing die in art. 3.4.2.5 lid 2 is gekozen ook voor het huidige recht navolging verdient, omdat uit het onderstaande zal blijken dat dit punt niet beslissend is voor de onderhavige casuspositie.
Vraag B. Het ging echter in casu wèl om een overdracht tot zekerheid. Moet deze nu, evenals in het Traffic-arrest geschiedde, jegens de verkoper ( [eiseres] ) buiten beschouwing gelaten worden, met als gevolg dat de noten, voor zover het [eiseres] betreft, ook na de voormelde transacties nog moeten worden beschouwd als zich in handen van [A] bevindend? Ook deze vraag beantwoord ik ontkennend.
feitelijke machtvan de vervreemder over de zaak, zodat derden enerzijds veelal niet verdacht zullen zijn op een levering, en bovendien zo dit al anders is, niet buiten de vervreemder om kunnen
verifiërenof een levering heeft plaatsgehad. Men zie ook Asser-Beekhuis I nrs. 340, 351 en 357 waar o.m. wordt gesteld dat derden bescherming behoeven tegen een levering c.p. omdat deze voor hen niet te controleren valt, c.q. dat zij niet voldoende kunnen nagaan of een overdracht heeft plaatsgevonden. Legt men dit criterium aan, dan is de consequentie dat een zekerheidsoverdracht d.m.v. traditio longa manu voor de toepassing van de Traffic-regel gelijkgesteld moet worden met een levering door feitelijke overgave, niet met een levering c.p.: de goederen bevinden zich immers niet onder de debiteur maar onder een houder, en een derde die daarbij belang heeft kan bij die derde verifiëren of er zakenrechtelijk iets met de goederen is gebeurd.
b(Brahn) nr. 30 onder
b(blz. 78), De Vries, a.w. blz. 96 e.v., Asser-Beekhuis I nr. 533, Schoordijk, a.w. blz. 304 v., Vriesendorp, a.w. blz. 39 e.v., Hartkamp, Compendium nr. 98. Ook art. 717 2GB (blijkens Parl. Gesch. Boek 3, blz. 382 noot 1 een der inspiratiebronnen voor art. 3.4.2.5 lid 2) wordt in deze zin uitgelegd (Liver, Schweizerisches Privatrecht V, 1, 1977, blz. 322).
akan beroepen). Gelet op het nauwe verband tussen de levering d.m.v. een zakenrechtelijk papier en de traditio longa manu, ware voor laatstgenoemde leveringsvorm hetzelfde aan te nemen.
alid 1, en voorts de art. 3.4.2.10 lid 2, 3.9.2.2
alid 1, 3.10.3.3 lid 2 en 3.10.3.5 lid 2.