Conclusie
Zitting 27 Januari 1984
aen 3 bestreden beschikking Rechtbank).
ahuurcontract, prod. verweerschrift eerste aanleg; r.o. 2
bbeschikking Rechtbank).
aB.W.).
cen 9
ben
cbeschikking Rechtbank; vgl. ook r.o. 11).
aB.W. De Gemeente voert ook overigens verweer.
e): "De bepaling van de huurprijs van benzinestations door gemeenten vindt meer plaats vanuit een bepaalde politieke overtuiging dan vanuit een marktprijs. Een marktprijs bestaat in feite ook niet aangezien de gemeenten als veruit de belangrijkste verhuurders van benzinestations de prijzen kunnen dicteren en bovendien zelf toestemming voor de exploitatie verlenen. Hierbij valt op dat de huurprijzen in de gemeente Utrecht in vergelijking tot de andere steden hoog zijn". Deskundigen achten tenslotte een goed systeem een huurprijs gebaseerd op de omzet in liters in plaats van op bruto-omzet in geld uitgedrukt en adviseren als huurprijs
f2,- per 100 liter verkochte (super)benzine, zijnde dit naar hun oordeel het gemiddelde van de huurprijzen in voornoemde gemeenten.
aen 10 van haar beschikking hierbij aan.
in cassatiebestreden beschikking van 16 december 1982 overwoog de Rechtbank in r.o. 15: ”De kernvraag in dit geding, in het bijzonder aan de orde gesteld in de grieven II en IV, is dan ook deze, of de vergelijkingsobjecten mogen worden gevonden in andere, buiten Utrecht liggende, benzinestations, waar de monopoliepositie van de gemeente zich niet doet gevoelen”.
Het cassatiemiddelheeft in
onderdeel 4de oordelen bedoeld onder 12 en 13 tot object en in
onderdeel 3en het daarop voortbordurende
onderdeel 5het oordeel bedoeld onder 14.
De onderdelen 1 en 2 van het middelhouden - mede gelet op de mondelinge toelichting (pleitnotities onder 2.1) - geen klacht in en behoeven derhalve geen bespreking. Het is overigens juist dat de wet van 4 juni 1981 S. 331 in de artt. 1626 lid 3 en 1632
aB.W. geen wijziging heeft aangebracht, die van belang zouden zijn met betrekking tot voormelde geschilpunten.
aB.W., waarover ook
onderdeel 4gaat, voorop te laten gaan.
b, p. 3 onder art. 1626, derde lid, n.a.v. V.V. Eerste Kamer, stuk nr. 14
a, p. 2 r.k.; V.V. bij wet 19 maart 1980 S. 124, Zitting 1979-1980 - 15.666, stuk nr. 4, p. 2, 3; M.v.A. (stuk nr. 5), p. 1, p. 3; Nota n.a.v. eindverslag (stuk nr. 9); Hand. II december 1979, p. 1780 r.k., p. 1781 m.k., r.k., p. 1782 l.k., p. 1784/1785.
a, p. 2 onder art. 1626 lid 3 en Pro M.v.A. daarop (stuk nr. 14
b), p. 3. In het later ingevoegde en met art. 1626 lid Pro 3 B.W. samenhangende art. 1632
aB.W. (men zie onder 24 hieronder) is deze bedoeling vervolgens met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht. Vgl. bij de wet 1975 S. 339: Amendement, Zitting 1974-1975 - 12.312, stuk nr. 11 en 13; Hand. II mei 1975, p. 4548 r.k., p. 4550 m.k., p. 4552 l.k., p. 4585 m.k. Vgl. ook M.v.T. bij de wet van 4 juni 1981 S. 331, Zitting 1980-1981 - 16.655, stuk nr. 3, p. 11, Onderdeel J. Vgl. H.R. 13 mei 1983, N.J. 1983, 713 onder 3.3;
aB.W.; V.V., Zitting 1972-1973 - 12.312, stuk nr. 4, p. 2 l.k,; M.v.A., Zitting 1974-1975 - 12.312, stuk nr. 5, p. 3; Hand. II mei 1975, p. 4545 r.k. Weliswaar is bij later wetswijzigingsvoorstel de schrapping van het artikel voorgesteld, doch dit heeft het niet tot wet gebracht. Vgl. bij wet 1980 S. 124: V.V., Zitting 1979-1980 - 15.666, stuk nr. 4, p. 7-9; M.v.A. (stuk nr. 5), p. 3 e.v., p. 7/8 (schrapping zou bij een langere huurtijd dan vijf jaren dan wel na afloop van de overeengekomen duur tot een te grote discrepantie tussen de overeengekomen huurprijs en de werkelijke huurwaarde kunnen leiden). Vgl. H.R. 1 oktober 1982, N.J. 1983, 76.
A; M.v.A., Zitting 1974-1975 - 12.312, stuk nr. 5, p. 5 onder Artikel I sub
A; Nota van wijzigingen, stuk nr. 6, p. 1. Daarbij kan bijv. worden gelet op het winkelgebied waartoe de winkel behoort, doch met verdiscontering van alle bijzonderheden, zoals ligging aan de hoofd- of zijstraat enz. Hand. II mei 1975, p. 4547 r.k., p. 4585 r.k. Vgl. ook H.R. 27 juni 1974, N.J. 1974, 513 (G.J.S.).
p. 5,6; Hand. II december 1979, p. 1785, 1786, waar de minister op p. 1785 m.k, opmerkt: ” .... Ik denk dat het adviseren over huurprijzen, het zoeken van vergelijkingsobjecten, het berekenen van gemiddelden en dergelijke vooral regionaal bepaald zullen zijn. Het zal goed zijn als deze commissies onderling veel contact hebben. Het is heel goed denkbaar dat in een bepaalde regio onvoldoende vergelijkingspanden beschikbaar zijn en dat men zo goed mogelijk tracht met gegevens van min of meer vergelijkbare steden uit andere regio's wat grond onder de voeten te krijgen …” Vgl. H.R. 10 december 1982, N.J. 1983, 215 (P.A.S.); H.R. 19 december 1980, N.J. 1981, 266 (P.A.S.) ad middel III. Zie ook de literatuur aangehaald onder 27.
dbij art. 1632
a. Men zie verder hierboven onder 22.
aB.W. valt en in deze artikelen ook verankerd ligt in hetgeen onder de begrippen "vergelijkbare bedrijfsruimte" en "huurprijs" verstaan moet worden (vgl. r.o. 18 beschikking Rechtbank).
onderdeel 4, ook al wijst het terecht erop dat de Rechtbank in dit verband enkele te ver gaande accenten plaatste, niet tot cassatie kan voeren.
onderdeel 3en het daarop voortbouwende
onderdeel 5.
subonderdeel adoel. De Gemeente had sinds 1969 onverkort aan de koppeling van de huurprijs uitsluitend aan de bruto-omzet in geld vastgehouden, in dier voege dat ze in dit geding daarbij persisteerde en voor de vergelijkingsprijzen in Utrecht naar de andere benzinestations verwees, waarbij ze dat systeem toepaste en vooralsnog bleef toepassen. Dat de Gemeente intussen met Shell Nederland Verkoopmaatschappij in overleg was getreden, die in dat verband mede de belangen behartigt van de belangrijkste andere te Utrecht werkzame benzinemaatschappijen, doet daaraan in het kader van de in dit geding aan de rechter gevraagde beoordeling niet af, nog daargelaten de inhoud van dat overleg.
subonderdeel btast deze gedachtengang niet aan en mist derhalve doel.
subonderdeel c- mede zoals dit mondeling is toegelicht (pleitnota onder 2.6) - wordt de beperkte betekenis van het in dit kader gebezigde begrip "misbruik van machtspositie", zoals hierboven tenslotte onder 38 uiteengezet, niet in acht genomen. Het subonderdeel mist reeds daarom doel.
aB.W. niet in aanmerking factoren, ontleend aan de bedrijfsexploitatie die niet voor de huurwaarde als zodanig van belang geacht kunnen worden. Afgezien daarvan dat aan
subonderdeel dfeiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, waaromtrent in dit geding niets aangevoerd is, mist de klacht in dit subonderdeel reeds hierom doel.
subonderdeel e- mede zoals mondeling toegelicht (pleitnota onder 2.8) - is met het voorafgaande het belang ontvallen, zodat deze klacht geen verdere bespreking behoeft.
Onderdeel 5mist naast onderdeel 3 zelfstandige betekenis, zodat, nu onderdeel 3 ongegrond bevonden werd, ook dit onderdeel ongegrond te achten is.