Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAC:2026:26

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
CUR202500744
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 128b Algemene Verordening In-, Uit- en DoorvoerLandsverordening tarief van invoerrechten CuraçaoLandsverordening op het beroep in belastingzakenBesluit proceskosten bestuursrechtLandsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voertuig met mild-hybrid aandrijvingssysteem correct ingedeeld onder hybride goederencode

Belanghebbende, importeur van een personenauto met een mild-hybrid aandrijvingssysteem, had het voertuig bij invoer ingedeeld onder een goederencode met een tarief van 27% invoerrechten. De Inspecteur wees het bezwaar van belanghebbende af, stellende dat het voertuig niet zelfstandig door de elektromotor kan worden voortbewogen en daarom niet als hybride voertuig kwalificeert.

Het Gerecht beoordeelde de Curaçaose tariefwetgeving en concludeerde dat deze geen technische restricties bevat die vereisen dat een hybride voertuig uitsluitend elektrisch moet kunnen rijden. De doorslaggevende factor is of de elektromotor in combinatie met de verbrandingsmotor bijdraagt aan de aandrijving, wat in dit geval is vastgesteld.

De Inspecteur baseerde zijn standpunt op internationale richtlijnen en jurisprudentie uit Aruba, maar het Gerecht stelde vast dat deze niet van toepassing zijn op Curaçao vanwege verschillen in nationale regelgeving. Het Gerecht oordeelde dat het tarief van 10% voor hybride voertuigen van toepassing is en dat de Inspecteur het bezwaar ten onrechte had afgewezen.

Verder wees het Gerecht het verzoek om integrale proceskostenvergoeding af, maar kende een forfaitaire vergoeding toe en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de Inspecteur werd veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het voertuig wordt ingedeeld onder de hybride goederencode met een tarief van 10%.

Uitspraak

Uitspraak van 10 maart 2026
BBZ nr. CUR202500744
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],gevestigd te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Belanghebbende heeft op 22 december 2023 aangifte ten invoer gedaan van een personenauto van het merk [automerk], bouwjaar 2024, met voertuigidentificatienummer (VIN) [VIN-nummer], met een cilinderinhoud van 2.998 cm³, en een douanewaarde van NAf. 107.030,00; hierna: het voertuig. Hierbij werd een totaal verschuldigd bedrag aangegeven van NAf. 38.530,10, bestaande uit NAf. 28.898,10 invoerrechten en NAf. 9.632,70 omzetbelasting.
1.2
Bij de aangifte ten invoer werd goederencode 8703.2270 (hierna: de benzinepost) gehanteerd, waarop een tarief van 27% invoerrechten van toepassing is.
1.3
Belanghebbende heeft tegen de eigen aangifte, op grond van artikel 128b, lid 1 van de Algemene Verordening In-, Uit-, en Doorvoer (hierna; AVIUD) bezwaar gemaakt op 7 februari 2024.
1.4
De inspecteur heeft bij uitspraak van 17 december 2024, het bezwaar ongegrond verklaard.
1.5
De uitspraak op bezwaar is op 17 januari 2025 bekend gemaakt aan belanghebbende.
1.6
Belanghebbende heeft op 28 februari 2025 beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag van NAf 150 aan griffierecht betaald.
1.7
De Inspecteur heeft op 2 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.8
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. J. Lopez-Ramirez en J. Herrera verbonden aan [X] te Curaçao, [A] (directeur van belanghebbende) en [B]. Namens de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen zijn verschenen mr. H. Pietersz. Trinidad en M. Brigitha. Partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende is importeur en handelaar van nieuwe auto’s, waaronder van het merk [automerk].
2.2
Belanghebbende heeft bij de invoer het in 1.1 genoemde voertuig aangegeven onder de benzinepost en het daarbij behorende tarief van 27% aan invoerrechten voldaan. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij hiertoe verplicht was naar aanleiding van een eerdere afwijzende beslissing door de Inspecteur.
2.3
Het voertuig is voorzien van een benzinemotor in combinatie met een elektromotor en beschikt over een zogenoemd mild-hybrid aandrijvingssysteem.

3.GESCHIL

3.1
In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf op basis van het tegen haar eigen aangifte ingediende bezwaar. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of het voertuig moet worden ingedeeld onder een goederencode voor voertuigen met een hybride aandrijvingssysteem, 8703.2390 (hierna: de hybridepost), met een tarief van 10% aan invoerrechten.
3.2
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het voertuig ten onrechte niet is ingedeeld onder de hybridepost. Zij voert daartoe aan dat het voertuig beschikt over een hybride aandrijvingssysteem dat bestaat uit een verbrandingsmotor in combinatie met een elektromotor. Volgens belanghebbende maakt de wet- en regelgeving van Curaçao geen onderscheid tussen verschillende gradaties van hybridisering, zoals mild-hybrid of full-hybrid. Bij de tariefindeling dient daarom te worden uitgegaan van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het voertuig, waaronder het feit dat de elektromotor bijdraagt aan de aandrijving. Belanghebbende betoogt verder dat de door de Inspecteur aangehaalde internationale richtlijnen en jurisprudentie niet zonder meer doorslaggevend zijn voor de uitleg van de Curaçaose tariefwetgeving. Zij concludeert dat het voertuig voldoet aan de omschrijving van goederencode 8703.2390 en dat de invoerrechten ten onrechte naar het hogere tarief zijn geheven.
3.3
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het voertuig niet kwalificeert als een hybride motorvoertuig in douanerechtelijke zin. Daartoe voert hij aan dat het voertuig niet zelfstandig en uitsluitend door middel van de elektromotor kan worden voortbewogen en dat de elektromotor slechts een ondersteunende functie vervult bij de verbrandingsmotor. Volgens de Inspecteur is sprake van een zogenoemd mild-hybrid systeem, dat in de internationale douanepraktijk niet als een hybride aandrijvingssysteem wordt aangemerkt. Voorts stelt de Inspecteur dat uit eerdere jurisprudentie volgt dat uitsluitend voertuigen met een volwaardige elektrische aandrijving onder de hybridepost kunnen worden ingedeeld. Op grond hiervan is de Inspecteur van mening dat de tariefindeling onder de benzinepost juist is en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4.OVERWEGINGEN

Nationale regelgeving

4.1
De heffing van invoerrechten in Curaçao vindt plaats op grond van de Algemene Verordening In-, Uit- en Doorvoer 1908 (AVIUD) en de Landsverordening tarief van invoerrechten Curaçao (LvTI). In de bijlage bij de LvTI is het tarief van invoerrechten opgenomen, waarin de goederen zijn ingedeeld volgens het geharmoniseerd systeem, met vermelding van de toepasselijke tarieven.
Post 87.03 luidt:
“Automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer (andere dan die bedoeld bij post 87.02), motorvoertuigen van het type stationwagen of break en racewagens daaronder begrepen”
Onderverdeling
Post 8703 luidt als volgt:
“— andere voertuigen met een motor met vonkontsteking en met op- en neergaande zuigers (…)
— — met een cilinderinhoud van meer dan 1 500 doch niet meer dan 3 000 cm3
(…)
8703.237 [1] — — — met een cif-waarde fl 20.001 of meer
[Gerecht: tarief van 27%]
8703.2390 — — — met een hybride aandrijvingssysteem
Gerecht: tarief van 10%]
(…)”
4.2
In de Toelichting op het tarief van Invoerrechten 2021, staat er bij punt 10 van de Onderverdelingen 8703 2110 t/m 8703 2490, het volgende:

10. Personenauto met een “hybride” aandrijvingssysteem 8703 22
Personenauto, uitgerust met een “hybride” aandrijvingsssyteem dat een benzinemotor combineert met een elektromotor. De benzinemotor heeft een cilinderinhoud van 1.497 cm3 en een maximum vermogen 53 kW (72 DIN pk) bij 4.500 tpm, en de elektromotor (permanente magneet) heeft een maximum vermogen 33 kW (45 DIN pk) bij 1.040-5.600 tpm. In het “hybride” systeem zorgt een geavanceerde controller voor de samenwerking tussen de benzinemotor en de elektromotor.”
4.3
Voor de tariefindeling zijn bepalend de bewoordingen van de tariefposten en de daarbij behorende toelichtingen. De Curaçaose wetgeving bevat geen nationale aantekening waarin het begrip “hybride aandrijvingssysteem” nader technisch wordt gedefinieerd of beperkt.
Inhoud
4.4
Voor de tariefindeling van goederen geldt als uitgangspunt dat deze dient plaats te vinden aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het goed, zoals die zich voordoen ten tijde van de invoer. Deze indeling dient te geschieden overeenkomstig de tekst van de tariefposten en de daarbij behorende toelichtingen, waarbij subjectieve elementen, zoals het beoogde gebruik of latere technische ontwikkelingen, buiten beschouwing blijven.
4.5
In het onderhavige geval staat tussen partijen niet ter discussie dat het voertuig is uitgerust met zowel een verbrandingsmotor als een elektromotor. Evenmin is in geschil dat de motoren van het voertuig voldoen aan de in de toelichting opgenomen technische specificaties en waarden. Dat het voertuig door de fabrikant en in de handel wordt aangeduid als een zogenoemd “mild-hybrid” voertuig, betreft een technische en commerciële kwalificatie, waaraan voor de tariefindeling op grond van de Curaçaose wetgeving geen zelfstandige betekenis toekomt. Daarmee is objectief vastgesteld dat sprake is van een voertuig met een gecombineerde aandrijving.
4.6
Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze combinatie in douanerechtelijke zin kwalificeert als een hybride aandrijvingssysteem als bedoeld in goederencode 8703.2390.
Hybride aandrijvingssysteem?
4.7
Niet in geschil is dat het voertuig moet worden ingedeeld in Hoofdstuk 87 onder de tariefpost 8703. Beoordeeld moet worden of het voertuig kan worden aangemerkt als een motorvoertuig met een hybride aandrijvingssysteem. Daarbij is van belang dat de Curaçaose tariefwetgeving geen nadere eisen stelt aan de technische vormgeving of werking van een dergelijk aandrijvingssysteem.
4.8
De Inspecteur betwist niet dat het voertuig is voorzien van een elektromotor maar stelt (onder verwijzing naar productie III en IV van het verweerschrift) dat uit de overgelegde informatie van het voertuig volgt dat de elektromotor niet is bestemd voor zelfstandige aandrijving, en slechts een ondersteunende functie vervult bij de verbrandingsmotor.
4.9
Het Gerecht overweegt dat uit de toepasselijke Curaçaose regelgeving niet volgt dat een voertuig met een hybride aandrijvingssysteem zelfstandig en uitsluitend door middel van de elektromotor moet kunnen worden voortbewogen. Doorslaggevend is of de elektromotor in combinatie met de verbrandingsmotor bijdraagt aan de aandrijving van het voertuig. Naar het oordeel van het Gerecht is daarvan in dit geval sprake.
4.1
Het Gerecht stelt vast dat de toepasselijke Curaçaose tariefbepalingen en de daarbij behorende toelichting geen nadere definitie bevatten van het begrip “hybride aandrijvingssysteem”. Evenmin maken deze bepalingen een onderscheid tussen verschillende vormen of gradaties van hybridisering, zoals mild-hybrid, full-hybrid of plug-in hybrid. In de tekst van de tariefpost ontbreekt een vereiste dat het voertuig zelfstandig en uitsluitend door middel van de elektromotor moet kunnen worden voortbewogen om als hybride te kunnen worden aangemerkt.
4.11
Het Gerecht acht daarbij van belang dat de elektromotor in het onderhavige voertuig niet slechts een passieve of louter technische nevenfunctie vervult, maar daadwerkelijk bijdraagt aan de aandrijving, onder meer door ondersteuning bij acceleratie en energie-terugwinning. Dat deze bijdrage niet leidt tot zelfstandig en uitsluitend elektrisch rijden, doet hieraan niet af, nu een dergelijk vereiste geen steun vindt in de Curaçaose tariefwetgeving.
4.12
Voor zover de Inspecteur zich beroept op internationale douanepraktijk, overweegt het Gerecht dat dergelijke bron slechts richtinggevend kan zijn voor zover deze aansluit bij of is verankerd in de nationale wet- en regelgeving. De Curaçaose tariefwetgeving kent echter geen expliciete verwijzing naar internationale definities of technische criteria waaruit volgt dat voertuigen met een zogenoemd mild-hybrid aandrijvingssysteem van de hybridepost zouden zijn uitgesloten.
4.13
De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar jurisprudentie (zie ECLI:NL:OGEAA:2025:288; ECLI:NL:OGEAA:2022:308) waarin zogenoemde mild-hybrid voertuigen niet zijn aangemerkt als voertuigen met een hybride aandrijfsysteem. Het Gerecht overweegt dat deze jurisprudentie betrekking heeft op de toepassing van de Arubaanse tariefwetgeving, waarin in een nationale aantekening bij Hoofdstuk 87 expliciet is bepaald onder welke voorwaarden een voertuig als hybride kan worden aangemerkt, waaronder de eis dat het piekvermogen van de elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt. De beoordeling in die zaken was derhalve rechtstreeks gebaseerd op een in de Arubaanse wetgeving opgenomen technische norm
4.14
Een dergelijke nationale aantekening of vergelijkbare bepaling ontbreekt in de Curaçaose tariefwetgeving. De Curaçaose wetgever heeft geen nadere technische criteria vastgesteld waaraan een hybride aandrijfsysteem moet voldoen. Reeds hierom kan aan de door de Inspecteur aangehaalde jurisprudentie niet de betekenis worden toegekend die hij daaraan gehecht wenst te zien. Deze jurisprudentie ondersteunt derhalve niet het standpunt van de Inspecteur in het onderhavige geval.
4.15
Het Gerecht is voorts van oordeel dat een restrictieve uitleg, zoals door de Inspecteur voorgestaan, zou neerkomen op het toevoegen van voorwaarden aan de tariefpost die daarin niet zijn opgenomen. Een dergelijke uitleg verdraagt zich niet met het legaliteitsbeginsel, dat vereist dat belastingen en heffingen hun grondslag duidelijk en ondubbelzinnig in de wet vinden.
4.16
Gelet op het voorgaande komt het Gerecht tot het oordeel dat het voertuig moet worden aangemerkt als een motorvoertuig met een hybride aandrijvingssysteem in de zin van goederencode 8703.2390. De Inspecteur heeft derhalve ten onrechte het bezwaar van belanghebbende tegen het tarief, zoals aangegeven in de eigen aangifte, afgewezen.
Slotsom
4.17
Het beroep is gegrond. Er dient ter zake van het voertuig invoerrechten te worden geheven naar een tarief van 10%.

5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten beroepsfase

5.1
Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.2
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken (hierna: Landsbesluit).
5.3
Uitgangspunt is dat aan belanghebbende een vergoeding wordt verleend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op forfaitaire basis. Van een forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden (artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht).
5.4
Ingevolge vaste jurisprudentie is slechts sprake van bijzondere omstandigheden, en daarmee de mogelijkheid voor het toekennen van een integrale kostenvergoeding in het geval de Inspecteur het verwijt kan worden gemaakt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802), dan wel dat sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).
5.5
Belanghebbende heeft verzocht om een integrale kostenvergoeding voor de beroepsfase. Het Gerecht wijst dit verzoek af. Er is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur. Het geschil in deze zaak vloeit voort uit een verschil van inzicht over de uitleg en toepassing van de Curaçaose tariefwetgeving ten aanzien van voertuigen met een hybride aandrijfsysteem, in een situatie waarin de wetgever geen nadere technische criteria heeft vastgesteld. Dat de Inspecteur daarbij een andere rechtsopvatting heeft gehanteerd dan die welke het Gerecht uiteindelijk volgt, is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van vergaande onzorgvuldigheid. Al het hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
5.6
Het hiervoor overwogene laat evenwel onverlet dat belanghebbende wel in aanmerking komt voor een forfaitaire kostenvergoeding. In artikel 1 van Pro dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor een forfaitaire vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. In artikel 1 van Pro dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 1.400 voor de beroepsmatige rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700, wegingsfactor 1). De totale kosten bedragen Cg 1.400.
5.7
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5, van de LBB, het betaalde griffierecht van Cg 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van de inspecteur;
  • bepaalt dat het voertuig dient te worden ingedeeld onder goederencode 8703.2390;
  • bepaalt dat de Inspecteur het bedrag van NAf 18.195,10 dat door belanghebbende teveel is betaald, dient terug te betalen;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskoten van belanghebbende vastgesteld op Cg 1.400;
  • gelast de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 150 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter en uitgesproken op 10 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.De Inspecteur verwijst naar tariefpost 8703.2270, maar dit moet op een fout berusten, want in die post gaat het om voertuigen met een hybride aandrijvingssysteem met een cilinderinhoud van meer dan 1.000 doch niet meer dan 1.500 cm³. Bij het voertuig gaat het evenwel om een cilinderinhoud van 2.998 cm³.