Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Appellant],
31 augustus 2022 beroep ingesteld bij het gerecht.
28 februari 2024 behandeld vanuit Curaçao. Appellant heeft de zitting via een video- en geluidsverbinding bijgewoond vanuit Nederland. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die in de zittingszaal in Aruba aanwezig was.
18 oktober 2023. De minister is in de gelegenheid gesteld om deze vragen schriftelijk te beantwoorden. Verder is de minister in de gelegenheid gesteld om alsnog de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Het gerecht heeft in het proces-verbaal van de zitting vermeld dat die stukken nodig zijn om het inhoudelijke standpunt van de minister te kunnen beoordelen.
15 mei 2024. Appellant heeft de zitting via een video- en geluidsverbinding bijgewoond vanuit Nederland. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verder zijn namens de minister verschenen [betrokkene 1] (hoofd afdeling Beleid en Toezicht en senior jurist DOW) en [betrokkene 2] (jurist DIP).
13 november 2024 heeft de gemachtigde van de minister verzocht om uitstel voor het indienen van dit standpunt van de minister.
1 februari 2023 beroep kon indienen tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 31 augustus 2022. Appellant heeft weliswaar op 18 januari 2023 een email gestuurd naar het gerecht met zijn beroepschrift, maar die email is buiten beschouwing gelaten door het gerecht, omdat die email naar het verkeerde emailadres is gestuurd. Appellant heeft pas op 12 juli 2023 een fysiek beroepschrift ingediend. Dat is buiten de beroepstermijn.
19 januari 2023 op de email van appellant met de volgende tekst:
23 januari 2024 bij de minister bekend. Op die datum heeft appellant zijn email met argumenten tegen de reële beschikking naar de gemachtigde van de minister en het gerecht gestuurd. Tijdens de eerste zitting kon de minister echter geen inhoudelijke reactie geven.
verklaarthet beroep
gegrond;
vernietigthet met een afwijzende beslissing gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het bezwaar;
draagtde minister
opin een nieuwe beslissing op bezwaar de door appellant verzochte stukken, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak openbaar te maken;
veroordeeltde minister om aan appellant een vergoeding van immateriële schade van Afl. 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen;
gelastde teruggave van het door appellant gestorte griffierecht van Afl. 25,-.
binnen zes wekenna de dagtekening van deze uitspraak.
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).