ECLI:NL:OGHACMB:2015:33

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
20 november 2015
Publicatiedatum
30 november 2015
Zaaknummer
HLAR 73590/15
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 LobArt. 8 lid 2 aanhef en onder d Lob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring inzake openbaarmaking bestuursdocumenten

Appellante verzocht de minister om openbaarmaking van alle stukken die hebben geleid tot een bestuursbrief van oktober 2012. Na het uitblijven van een beschikking op het verzoek en het bezwaar, stelde appellante beroep in bij het Gerecht. Dit verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gemeenschappelijk Hof.

Het Hof oordeelde dat de minister slechts gedeeltelijk aan het verzoek had voldaan door geanonimiseerde stukken te verstrekken, waardoor het procesbelang van appellante bleef bestaan. Het Hof vernietigde de uitspraak van het Gerecht en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.

Het Hof benadrukte dat het Gerecht bij de herbeoordeling moet nagaan of de minister zich terecht op artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob) heeft beroepen om de stukken niet-geanonimiseerd te verstrekken. Tevens wees het Hof een proceskostenveroordeling af en vergoedde het betaalde griffierecht aan appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke beoordeling.

Uitspraak

HLAR 73590/15
Datum uitspraak: 20 november 2015
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante (hierna: appellante)], wonend in Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 26 januari 2015 in zaaknr. Lar 245/15, in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Volksgezondheid en Sport (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij brief van 19 juli 2013 heeft [appellante] de minister verzocht om openbaarmaking krachtens de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: de Lob) van alle belegstukken die tot de brief van de minister aan het bestuur van de Fundacion Arubiano pa Maneho di Facilidadnan Deportivo van 26 oktober 2012 hebben geleid.
Bij brief van 26 september 2013 heeft [appellante] tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek bezwaar gemaakt.
Bij brief van 10 februari 2014 heeft [appellante] tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 26 januari 2015 heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.S. Croes, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 2 van Pro de Lob kan een ieder de Minister schriftelijk verzoeken om informatie neergelegd in documenten.
Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d, blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
2. Ter zitting van het Gerecht heeft de minister de desbetreffende belegstukken, te weten vier brieven, in geanonimiseerde vorm overgelegd. Het Gerecht heeft daaraan de conclusie verbonden dat de minister alsnog aan het verzoek is tegemoetgekomen en dat aldus het procesbelang is komen te vervallen.
3. [ Appellante] betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat geen procesbelang meer bestaat. Daartoe voert zij aan dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de minister met de overlegging van de geanonimiseerde stukken aan haar verzoek om openbaarmaking van deze stukken is tegemoetgekomen.
3.1 Dat betoog slaagt. Nu [appellante] om openbaarmaking heeft verzocht en de minister de stukken slechts gedeeltelijk, te weten in geanonimiseerde vorm, openbaar heeft gemaakt, is de minister niet geheel aan haar verzoek om openbaarmaking tegemoetgekomen en heeft [appellante] haar procesbelang behouden.
4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De zaak dient naar het Gerecht te worden teruggewezen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij dient het Gerecht tevens het volgende in acht te nemen.
5. Gelet op het onder 3.1 overwogene, behelst de alsnog gegeven beschikking van de minister een gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van [appellante]. Tegen die beschikking heeft [appellante] geen beroep ingesteld. Indien na het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar alsnog een reële beschikking wordt gegeven waarbij het bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond wordt verklaard en tegen die reële beschikking geen beroep is ingesteld, dient het Gerecht het beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar te beoordelen aan de hand van de daartegen gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden. In geval van vernietiging van de fictieve afwijzing kan dit ertoe leiden dat het betrokken bestuursorgaan in de zaak moet voorzien op een wijze die ook betekenis heeft voor de reële beschikking, ook al is daartegen geen beroep ingesteld. De desbetreffende partij houdt onder die omstandigheden dan ook procesbelang bij het beroep tegen de fictieve afwijzing. In het voorliggende geval betekent dit dat het Gerecht ten minste moet beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Lob zich tegen openbaarmaking van de vier brieven in niet-geanonimiseerde vorm verzet.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
II.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht van 26 januari 2015 in zaaknr. Lar 245/15;
III.
wijstde zaak naar het Gerecht
terug;
IV.
gelastdat de griffier aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden)
teruggeeft.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.
w.g. Van der Poel w.g. De Haseth
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2015
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,