AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van tariefverhoging grondbelasting en prejudiciële vragen over aanslagvaststelling in Aruba
Belanghebbende, eigenaar van een onroerende zaak in Aruba, betwist de aanslag grondbelasting 2019 die is gebaseerd op een verhoogd tarief van 0,6%, in plaats van het eerdere tarief van 0,4%. De kern van het geschil betreft de vraag of deze tariefverhoging binnen het vijfjarige waarderingsperiode van 2017-2021 is toegestaan en of de aanslag als een tweede aanslag kan worden aangemerkt.
Het Gerecht heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad, die deze op 14 april 2023 heeft beantwoord. De Hoge Raad oordeelde dat de aanslag van 2019 niet als een tweede aanslag geldt en dat de tariefwijziging binnen het vijfjarige tijdvak rechtsgeldig is, zonder onaanvaardbare inbreuk op het eigendomsrecht volgens het EVRM en de Staatsregeling.
Belanghebbende betoogde dat de aanslagen voor het vijfjarige tijdvak bij aanvang volledig zijn vastgesteld en dat de tariefwijziging geen terugwerkende kracht kan hebben. Het Gerecht wijst dit af, bevestigt de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en volgt de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag grondbelasting 2019 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.
Voetnoten
3.In de optiek van belanghebbende vormt de aanslag de tweede aanslag. De eerste aanslag, die volgens belanghebbende is opgelegd overeenkomstig de wetgeving zoals die gold tot 1 januari 2019, blijft in stand.
4.Zie voor toelichting en de zienswijze van het Gerecht de tussenuitspraak van 4 februari 2022.
6.Memorie van Toelichting bij de Staatsregeling, AB 1985, no. 26, blz. 18 en 19.
8.Staten van Aruba, zittingsjaar 2018-2019, MvT no. 3, blz. 1, 2 en 4.
9.Landsverordening houdende wijziging van de Landsverordening belasting over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen PPS-projecten (AB 2006 no. 83), de Landsverordening bestemmingsheffing AZV (AB 2014 no. 59), alsmede een aantal belastingverordeningen en andere landsverordeningen in verband met de invoering van het Belastingplan 2023 (Landsverordening Belastingplan 2023).
10.Genoemde noot is niet toegevoegd aan het dossier, omdat de rechter verondersteld wordt het recht te kennen, waaronder genoemde noot in BNB 2023/86, en het onderzoek ter zitting reeds was gesloten.
11.Zie artikel 27ge van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, welk artikel ingevolge artikel 1c van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is verklaard.
12.Overwegingen 5.24 en 5.25.
13.Overweging 5.35.
14.Waarbij het Gerecht zich uiteraard realiseert dat belanghebbende de mogelijkheid heeft om in hoger beroep en beroep cassatie te gaan, waarbij die maatschappelijke kosten zich desalniettemin zullen voordoen.
15.Zie voor wat betreft het verweerschrift bijvoorbeeld onderdeel 6.8 waarin onder andere wordt vermeld: “Het voorgaande brengt met zich mee dat de definitieve aanslag grondbelasting 2019 die vóór 1 januari 2017 reeds is vastgesteld, in beginsel geconverteerd kan worden in een navorderingsaanslag (…).” In het vervolg van het verweerschrift wordt betoogd op grond waarvan conversie kan plaatsvinden. Ook in de conclusie van dupliek concludeert de Inspecteur dat de bestreden aanslag kan worden geconverteerd in een navorderingsaanslag, hetgeen niet anders kan betekenen dan dat die bestreden aanslag, ook in de optiek van de Inspecteur, de tweede aanslag betreft.
16.Zie onderdeel 2.4 van de conclusie van dupliek: “Dat voornoemde werkwijze in de praktijk sinds jaar en dag niet meer van toepassing is, vanwege het feit dat er geen sprake meer is van fysieke leggers, waarin de aanslagen worden gedeponeerd, maar van digitale en/of virtuele leggers, doet niet af aan de voorgeschreven heffingssystematiek.