ECLI:NL:HR:2026:96

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/03640
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsvraag omtrent rechthebbendheid op saldo kwaliteitsrekening van deurwaarder na faillissement

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door Richard LE GRAND q.q., curator in het faillissement van Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V., en Rexwinkel B.V. tegen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De zaak draait om de vraag wie rechthebbende is op het saldo van de kwaliteitsrekening van Eendracht, waarop een bedrag van € 418.750,64 stond, dat door debiteuren van het CJIB was geïncasseerd. De curator en Rexwinkel stelden dat zij rechthebbenden waren op dit saldo, terwijl het CJIB betoogde dat het saldo aan hen toebehoorde.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening diegenen zijn ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort. Het hof had eerder geoordeeld dat het CJIB rechthebbende was op het saldo, omdat de gelden waren geïncasseerd ten behoeve van het CJIB. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de curator en Rexwinkel niet gerechtigd waren om het saldo op te eisen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de curator en Rexwinkel in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak benadrukt de bescherming van derden die gelden aan een gerechtsdeurwaarder toevertrouwen, en bevestigt dat de kwaliteitsrekening van de deurwaarder een afgescheiden vermogen vormt, dat niet in het faillissement van de deurwaarder valt. De uitspraak is van belang voor de rechtspraktijk, vooral in het kader van faillissementen en de rechten van schuldeisers.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/03640
Datum23 januari 2026
ARREST
In de zaak van
1. Richard LE GRAND q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V.,
kantoorhoudende te Rotterdam,
hierna: de curator,
2. REXWINKEL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
hierna: Rexwinkel,
EISERS tot cassatie,
advocaat: R.R. Verkerk,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Centraal Justitieel Incassobureau),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: CJIB,
advocaat: J.W.H. van Wijk.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/622875 / HA ZA 21-683 van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.312.311/02 van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024.
De curator en Rexwinkel hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
CJIB heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is oor CJIB toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de curator en Rexwinkel heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Deurwaarderskantoor [A] B.V. (hierna: [A]) verrichtte op grond van een overeenkomst met CJIB incassowerkzaamheden voor CJIB.
(ii) Bedragen die [A] incasseerde bij debiteuren van CJIB werden gestort op de kwaliteitsrekening van [A]. Omdat CJIB gebruik wilde maken van automatische incasso en dit vanaf een kwaliteitsrekening niet mogelijk is, maakte [A] de voor CJIB ontvangen gelden vervolgens, na aftrek van haar (loon)kosten en met instemming van CJIB, over vanaf haar kwaliteitsrekening naar haar reguliere bankrekening, vanwaar CJIB die gelden automatisch incasseerde.
(iii) Ter uitvoering van een in 2017 gesloten samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en een aantal deurwaarderskantoren is Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V (hierna: Eendracht) opgericht. Op grond van die samenwerkingsovereenkomst heeft [A] de behandeling van haar incasso-opdrachten overgedragen aan Eendracht. Vanaf dat moment zorgde Eendracht voor het incasseren van vorderingen op debiteuren van CJIB. CJIB was van de overdracht van de incassowerkzaamheden aan Eendracht op de hoogte en heeft daarmee ingestemd.
(iv) De bij debiteuren van CJIB geïnde bedragen werden bijgeschreven op een kwaliteitsrekening van Eendracht. De bedragen werden van de kwaliteitsrekening van Eendracht via de reguliere bankrekening van [A] aan CJIB overgemaakt op dezelfde wijze als hiervoor onder (ii) vermeld.
(v) Op 7 juli 2020 is Eendracht failliet verklaard. Op de kwaliteitsrekening van Eendracht stond op dat moment € 418.750,64 (na aftrek van kosten en loon) aan gelden die bij debiteuren van CJIB waren geïncasseerd. Er is een waarnemend deurwaarder benoemd die bij uitsluiting bevoegd is om over de kwaliteitsrekening van Eendracht te beschikken.
(vi) [A] is op 8 juni 2022, tijdens het hoger beroep in deze procedure, failliet verklaard. De curator in het faillissement van [A] heeft de aanspraak van [A] op het hiervoor in (v) genoemde saldo van de kwaliteitsrekening overgedragen aan Rexwinkel. Rexwinkel heeft vervolgens de positie van [A] in de onderhavige procedure overgenomen.
2.2
CJIB vordert in deze procedure dat voor recht wordt verklaard dat CJIB rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht ten bedrage van € 418.750,64 en veroordeling van de curator te gehengen en te gedogen dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder dat saldo aan CJIB uitkeert. [A] (thans Rexwinkel) vordert in reconventie dat voor recht wordt verklaard dat zij de rechthebbende is op voornoemd saldo van € 418.750,64 en dat CJIB wordt veroordeeld te gehengen en te gedogen dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder dat saldo aan [A] (thans Rexwinkel) uitkeert.
2.3
De rechtbank [1] heeft de vorderingen van CJIB toegewezen en de vorderingen van [A] afgewezen.
2.4
Het hof [2] heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het onder meer het volgende overwogen (voetnoten weggelaten in het citaat):
“6.7 Rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening zijn diegenen ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden.
(…)
6.8 (…) [
U]it de regeling van artikel 19 GDW [kan] naar het oordeel van het hof niet anders worden afgeleid dan dat het CJIB, en niet [A], de rechthebbende is op het op de kwaliteitsrekening van Eendracht staande bedrag van € 418.750,64. Het saldo heeft immers betrekking op gelden die een bij Eendracht werkzame deurwaarder ten behoeve van het CJIB heeft geïncasseerd, bij schuldenaren van alleen het CJIB, welke schuldenaren alleen wat betreft hun schuld aan het CJIB bevrijdend aan die deurwaarder konden betalen. Anders dan de curator en Rexwinkel aanvoeren, volgt uit de (…) beschermingsdoelstelling van artikel 19 GDW dat degene “ten behoeve van” wie op de bijzondere rekening is gestort in de zin van die bepaling niet (noodzakelijkerwijs) de rechtstreekse opdrachtgever is van de incasserende deurwaarder, maar de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering. Het is ook deze schuldeiser die de deurwaarder op zijn exploten vermeldt als degene ten behoeve van wie op de kwaliteitsrekening moet worden betaald. Een andere uitleg zou leiden tot het ongerijmde gevolg dat die schuldeiser achter het net zou vissen wanneer de deurwaarder aan wie hij zijn incasso-opdracht heeft gegeven, die opdracht op zijn beurt aan een collega doorgeeft. Dat Eendracht ingevolge de Samenwerkingsovereenkomst de feitelijke incassowerkzaamheden heeft verricht in opdracht van [A] maakt daarom niet dat [A] dan ook een vorderingsrecht heeft jegens Eendracht om zonder instemming van het CJIB, ten laste van de kwaliteitsrekening betalingen te (laten) doen naar haar eigen privérekening, en al helemaal niet als op voorhand vaststaat dat die betalingen ten gevolge van het faillissement van [A] niet terecht gaan komen bij het CJIB voor wie zij, zoals tussen partijen vaststaat, zijn bestemd.
6.9
De geïncasseerde gelden staan op de kwaliteitsrekening van Eendracht en maken daarmee deel uit van het van de vermogens van de deurwaarders wettelijk afgescheiden vermogen, dat wat betreft het voor het CJIB geïncasseerde bedrag van € 418.750,64 uitsluitend aan het CJIB ‘toebehoort’. Reeds om die reden strandt het beroep van de curator en Rexwinkel op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2003 [ECLI:NL:HR:2003:AF3413]. In die zaak ging het namelijk om gelden die nu juist niet op een kwaliteitsrekening waren gestort. Niet valt in te zien dat en hoe het aan het CJIB toebehorende saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht zonder daarvoor bestaande titel, die de curator en [A] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet hebben kunnen geven, op enig moment aan [A] is gaan ‘toebehoren’, of [A] bij de gemaakte incassoafspraken nu heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger voor het CJIB of niet. Het door de curator en Rexwinkel gehuldigde, andersluidende standpunt vindt geen steun in het recht.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof met zijn oordeel dat het voor CJIB geïncasseerde bedrag van € 418.750,64 uitsluitend aan CJIB toebehoort, heeft miskend dat op grond van de wettelijke regeling over lastgeving ter incasso op eigen naam als bedoeld in art. 7:414 BW, [A] als enige gerechtigd was betalingen te laten doen van de kwaliteitsrekening naar de eigen rekening of naar een andere rekening. Het hof heeft in het midden gelaten of [A] bij het overdragen van de incasso-opdracht aan Eendracht als middellijk vertegenwoordiger van CJIB is opgetreden, zodat in cassatie moet worden aangenomen dat tussen [A] en Eendracht een overeenkomst bestond die moet worden gekwalificeerd als lastgeving ter incasso op eigen naam, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat voor de vraag wie rechthebbende is op het saldo, niet zonder meer beslissend is wie de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering is of wie op een exploot als zodanig wordt genoemd.
3.2.1
Art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) bevat een dwingendrechtelijke regeling van de kwaliteitsrekening en bepaalt voor zover thans van belang:
“1 De gerechtsdeurwaarder is verplicht bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich neemt. Gelden die aan de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. (…)
2 De gerechtsdeurwaarder is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. (…) Ten laste van deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende. Vorderingen van de gerechtsdeurwaarder uit hoofde van voor de rechthebbende verrichte werkzaamheden komen van rechtswege in mindering op het aandeel van de rechthebbende in het saldo, zodra zij aan de rechthebbende zijn opgegeven. (…)
3 Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. (…)
4 Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening. (…)”
3.2.2
Het doel van de regeling van de kwaliteitsrekening van de gerechtsdeurwaarder is derden voor wie de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk gelden onder zich neemt, te beschermen tegen deconfitures, fraude daaronder begrepen. Dit wordt bereikt door de vordering op de bank uit hoofde van de kwaliteitsrekening niet in het vermogen van de gerechtsdeurwaarder te laten vallen. Deze bescherming acht de wetgever gerechtvaardigd omdat het publiek erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat de gerechtsdeurwaarder wiens wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hem door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houdt van zijn eigen vermogen. [3]
3.2.3
In cassatie wordt terecht niet bestreden dat, zoals het hof in rov. 6.7 heeft vooropgesteld, rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening diegenen zijn ten behoeve van wie geldbedragen op die kwaliteitsrekening zijn gestort, onder de voorwaarden die gelden in hun onderlinge verhoudingen. [4]
Inzet van de onderhavige procedure is of CJIB dan wel (Rexwinkel als rechtsopvolger van) [A] rechthebbende is op het saldo van € 418.750,64. Er zijn dus niet verschillende rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening, zodat onderlinge verhoudingen tussen rechthebbenden hier geen rol spelen.
3.2.4
Niet alleen de (directe) opdrachtgevers van de gerechtsdeurwaarder, maar ook derden kunnen worden aangemerkt als rechthebbenden op (een aandeel in) het saldo van de kwaliteitsrekening van de gerechtsdeurwaarder. [5] Daarvoor is in het bijzonder grond indien, als gevolg van de incassowerkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder, een schuldenaar zijn schuld aan een derde voldoet door betaling op de kwaliteitsrekening.
Indien [A] bij het overdragen aan Eendracht van de incassowerkzaamheden die [A] voor CJIB uitvoerde, als middellijk vertegenwoordiger van CJIB en dus op eigen naam heeft gehandeld en als opdrachtgever van Eendracht moet worden aangemerkt, is dit dus niet onverenigbaar met het oordeel van het hof dat niet [A] maar CJIB rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening. Het hof kon daarom in het midden laten of [A] bij het uitbesteden van de incasso-opdracht aan Eendracht heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger van CJIB.
3.2.5
In cassatie is niet bestreden de vaststelling van het hof in rov. 6.8 dat de gerechtsdeurwaarder (werkzaam bij Eendracht) ‘de oorspronkelijke schuldeiser’, dat wil zeggen CJIB, althans de door CJIB vertegenwoordigde overheidsinstantie, op zijn exploten heeft vermeld als degene ten behoeve van wie op de kwaliteitsrekening moet worden betaald. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat – zoals evenmin in cassatie is bestreden – het saldo op de kwaliteitsrekening bestaat uit door debiteuren van CJIB betaalde bedragen (verminderd met de kosten van Eendracht) en dat die schuldenaren hun schuld aan CJIB alleen bevrijdend aan de gerechtsdeurwaarder van Eendracht konden betalen. Het oordeel van het hof dat in deze omstandigheden uit de beschermingsdoelstelling van art. 19 Gdw volgt dat CJIB, en niet [A], rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
3.2.6
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.5 is overwogen volgt dat de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten falen.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de curator en Rexwinkel in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CJIB begroot op € 8.206,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de curator en Rexwinkel deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 januari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1100.
2.Gerechtshof Den Haag 2 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1049.
3.Zie Kamerstukken II 1998/99, 22775, nr. 14, p. 35-36. Vgl. ten aanzien van de notariële kwaliteitsrekening HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, rov. 3.2.
4.Vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, rov. 3.3 en HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, rov. 3.1.4.
5.Vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, rov. 3.4.