Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat Energieweg en [eiser 2] jegens Bank Degroof onrechtmatig hebben gehandeld, alsmede Energieweg en [eiser 2] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door Bank Degroof geleden schade, op te maken bij staat.Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
Bank Degroof heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat [eiser 2] op het moment van sluiten van de kredietovereenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat FPA niet in staat zou zijn om het krediet terug te betalen en geen verhaal zou bieden. Van bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending van de Beklamel-norm is geen sprake. (rov. 5.12-5.16)
De vraag is of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt van [eiser 2] als indirect bestuurder van FPA. Het geschil spitst zich toe op de vraag of [eiser 2], nadat is besloten tot het
going concernhouden van FPA, voldoende openheid van zaken heeft gegeven en of hij Bank Degroof voldoende (tijdig) heeft geïnformeerd over het bestaan van de vordering op het advocatenkantoor, en daarmee over de te verwachten opbrengsten binnen de FPA-structuur. Concreet komt dit neer op de vraag of [eiser 2], ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten, ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat, ondanks de mogelijk nog te genereren opbrengsten binnen de FPA-structuur, een vordering van Bank Degroof op FPA zou resteren. Daarvoor kan van belang zijn of [eiser 2] ermee rekening moest houden dat de procedure tegen het advocatenkantoor onvoldoende zou opbrengen om FPA in staat te stellen haar schuld aan Bank Degroof te voldoen en of [eiser 2] kan worden verweten dat bij de belangen van Bank Degroof heeft verwaarloosd door de bank niet vóór de Alstonville-schikking te informeren. (rov. 5.20)
[eiser 2] kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. De hierna onder (i)-(vi) vermelde feiten en omstandigheden zijn daartoe redengevend. (rov. 5.21)
(i)
Bij aandeelhouderbesluit is besloten tot liquidatie en hetgoing concern
houden van FPA
De aandeelhoudersvergadering van FPA heeft op 19 november 2015 besloten tot de afwikkeling van FPA, nadat al in 2013 aan Bank Degroof was kenbaar gemaakt dat FPA insolvabel was. Het staat een bestuurder in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap bij zwaar weer zullen worden voldaan (betaalautonomie), maar die vrijheid is beperkter als de vennootschap heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om alle schuldeisers te voldoen. Gelet op het in november 2015 genomen besluit, had [eiser 2] na de aandeelhoudersvergadering als indirect bestuurder van FPA een beperktere betaalautonomie. (rov. 5.22-5.24)
(ii)
De door aan [eisers] gelieerde ondernemingen aan FPA verstrekte leningen zijn in maart 2018 kwijtgescholden en operationele kosten zijn voldaan
Na kwijtschelding van bedragen van meer dan € 900.000,-- die FPA had geleend van aan [eiser 2] gelieerde ondernemingen en betaling door FPA van operationele kosten, waren deze schulden van FPA afgewikkeld. Daarna bestonden binnen de FPA-structuur nog twee grote schuldeisers, namelijk Bank Degroof (de enige resterende schuldeiser van FPA) en Alstonville (vordering op Weaver, de kleindochtervennootschap van FPA). [eiser 2] is indirect bestuurder van onder andere FPA en Weaver en aldus belast met de afwikkelingen van deze beide schulden binnen de FPA-structuur. (rov. 5.25-5.27)
(iii)
De wijze waarop de Weaver-vordering en vervolgens de advocatenkantoor-vordering zijn afgewikkeld
Binnen de FPA-structuur speelde de afwikkeling van kleindochtervennootschap Weaver, waaronder de vordering van Alstonville en de (regres)vordering op het advocatenkantoor. Deze afwikkeling heeft zich geheel buiten het zicht van Bank Degroof afgespeeld. Alleen als de procedure tegen het advocatenkantoor zou eindigen in het volledig of grotendeels toewijzen van het door Weaver gevorderde bedrag (of bij een schikking voor dat bedrag) was er zicht op opbrengsten voor FPA. Anders was er echter geen zicht op terugbetaling van de vordering van Bank Degroof op FPA. (rov. 5.28-5.29)
(iv)
Het bedrag waarvoor een schikking is getroffen met het advocatenkantoor is voor een groot deel toegekomen aan een vennootschap gelieerd aan [eiser 2] (Eikofin)
De opbrengsten uit de vordering op het advocatenkantoor zijn gebruikt om de aansprakelijkheid van [eiser 2] als bestuurder van Weaver af te wenden, althans betaling van de vordering van Alstonville op [eiser 2] mogelijk te maken. De rest van de opbrengst is gebruikt om procesfinancier Eikofin te betalen. Er bleef onvoldoende opbrengst over om (een deel van) de vordering van Bank Degroof te kunnen voldoen. Het hiervoor onder (iii) bedoelde resultaat is niet behaald en [eiser 2] had als gemiddeld bekwaam (indirect) bestuurder ermee rekening moeten houden dat dit resultaat niet behaald zou worden. (rov. 5.30-5.31)
(v)
Bank Degroof is als grote schuldeiser van FPA niet betrokken bij de (afwikkeling van de) met het advocatenkantoor tot stand gekomen schikking
Van een gemiddeld bekwaam bestuurder mag worden verwacht dat hij de verschillende belangen op zorgvuldige wijze gescheiden houdt. Dat [eiser 2] de te onderscheiden belangen – van hemzelf, Weaver en FPA – in dit geval gescheiden heeft gehouden, is niet gebleken. (rov. 5.32)
Het voldoen van de (geringe) operationele kosten en het sluiten van de kwijtscheldingsovereenkomst met Eikofin hebben ertoe geleid dat de belangen van Bank Degroof en [eiser 2] tijdelijk parallel zijn gaan lopen. Van een evenwichtige belangenbehartiging van beide resterende schuldeisers binnen de FPA-structuur is echter niet gebleken. In de eerste plaats mocht van [eiser 2] worden verwacht dat hij, gelet op het persoonlijke belang dat hij had om zijn eigen hoofdelijke aansprakelijkheid af te wenden, een zo groot mogelijke openheid van zaken zou betrachten richting aandeelhouders, zoals Bank Degroof, maar daarvan is geen sprake geweest. In de tweede plaats is binnen de FPA-structuur concreet gezocht naar een manier om Alstonville c.s. nog te kunnen betalen, zodat aansprakelijkheid van [eiser 2] kon worden afgewend. De bank is daarentegen (tot in elk geval december 2018) onwetend gelaten over de vraag of haar vordering zou worden betaald. (rov. 5.33)
(vi)
Er is geen enkele voorziening getroffen voor de Bank ten behoeve van het (mogelijk) alsnog kunnen voldoen van de openstaande schuld op FPA
Juist als er nog zicht was op mogelijke opbrengsten ter voldoening van de schuld aan Bank Degroof, zoals [eiser 2] aanvoert, had het op de weg van [eiser 2] gelegen om ten behoeve van de bank een concrete voorziening te treffen of de mogelijkheid tot een oplossing daartoe te onderzoeken, die zou zijn gericht op het (deels) kunnen voldoen van die openstaande schuld. (rov. 5.34)
Conclusie persoonlijk ernstig verwijt
Op grond van de hiervoor onder (i) tot en met (vi) genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd is het hof van oordeel dat [eiser 2] als indirect bestuurder van FPA heeft bewerkstelligd of toegelaten dat FPA haar verplichtingen jegens Bank Degroof niet meer kon nakomen en de vordering van Bank Degroof onbetaald en onverhaalbaar is gebleven. [eiser 2] wist of had moeten begrijpen dat deze handelwijze voorzienbaar tot benadeling van Bank Degroof zou leiden. [eiser 2] had er ernstig rekening mee moeten houden dat, ondanks mogelijk nog te genereren opbrengsten binnen de FPA-structuur, een substantiële vordering van Bank Degroof op FPA zou resteren en dat daarvoor geen verhaal mogelijk zou zijn. [eiser 2] heeft daarmee echter geen rekening gehouden. (rov. 5.35)
Het hof rekent het [eiser 2] bijzonder aan dat hij Bank Degroof niet tijdig heeft geïnformeerd over de procedures tegen Weaver en het advocatenkantoor terwijl hij wel alles in het werk heeft gesteld om zijn eigen aansprakelijkheid jegens Alstonville af te wenden, althans in financiële zin te verleggen naar het advocatenkantoor. (rov. 5.36)
[eiser 2] heeft de voldoening van de vordering van Bank Degroof daarmee gefrustreerd, terwijl hij het als indirect bestuurder in zijn macht had om ervoor te zorgen dat ook de bank als schuldeiser (tijdig) zou worden betrokken bij de afwikkeling van FPA. Daarnaast heeft [eiser 2] Bank Degroof in de positie van enig schuldeiser van FPA gebracht en daarmee Bank Degroof ‘met de rug tegen de muur gezet’ en verhinderd dat Bank Degroof het faillissement van FPA kon aanvragen. Uit de onder (i) tot en met (vi) geschetste feiten en omstandigheden blijkt dat [eiser 2] zich als bestuurder bij de afwikkeling van FPA de belangen van Bank Degroof van meet af aan niet heeft aangetrokken. (rov. 5.37)