Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 juni 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verzoek van een schuldeiser centraal om de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) van de schuldenaar tussentijds te beëindigen. De schuldeiser stelde dat de schuldenaar onjuiste en tegenstrijdige feiten had opgegeven bij het toelatingsverzoek, waardoor niet voldaan zou zijn aan de goedetrouwtoets zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 Fw Pro.
De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat het verzoek tot beëindiging van de Wsnp-regeling heeft afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dat de schuldenaar niet te goeder trouw heeft gehandeld, noch dat er feiten en omstandigheden bestonden die het verzoek tot toelating tot de Wsnp hadden moeten afwijzen.
De beoordeling betrof onder meer de vraag of de schuldenaar onwaarachtige stellingen had gemaakt over een lening en haar instemming met borgstelling, de waarde van vermogensbestanddelen bij wijziging van het huwelijksvermogensregime, en het betalingsgedrag. Ook werd overwogen dat de schuldenaar gerechtigd was om verweer te voeren in de bodemprocedure en dat het niet aannemelijk was dat zij wist dat de schuld niet kon worden voldaan.
De Hoge Raad oordeelt dat de door de schuldeiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om de goede trouw van de schuldenaar te verwerpen. Het hof heeft de klachten van de schuldeiser voldoende gemotiveerd afgewezen en het bewijsaanbod terecht niet gevolgd. Het cassatieberoep wordt verworpen en de schuldeiser wordt in de kosten van het geding veroordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de schuldeiser wordt verworpen en het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de Wsnp-regeling wordt afgewezen.