Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:230

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
25/02288
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 414 RvArt. 6:51 lid 1 BWArt. 6:51 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie bij ontbreken woonplaats in Nederland

Elser c.s. hebben cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin hun vorderingen waren afgewezen. Head c.s. en KPMG c.s. stelden incidentele vorderingen tot zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie op grond van art. 224 Rv Pro in verbinding met art. 414 Rv Pro, omdat Elser c.s. gevestigd zijn op de Britse Maagdeneilanden zonder woonplaats in Nederland.

Elser c.s. hebben zekerheid gesteld aan KPMG c.s., waarna KPMG c.s. hun vordering introkken. Head c.s. vorderden zekerheid van €11.665,00, welke Elser c.s. aanboden te storten op derdenrekeningen van advocatenkantoren, maar Head c.s. weigerden dit aanbod vanwege interne regels. De Hoge Raad oordeelt dat de keuzevrijheid van Elser c.s. voor de vorm van zekerheid niet zo ver gaat dat Head c.s. verplicht zijn het aanbod te aanvaarden.

De Hoge Raad beveelt Elser c.s. zekerheid te stellen voor €11.665,00 uiterlijk 27 februari 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid, veroordeelt hen in de kosten van het incident en wijst het meer of anders gevorderde af. De vordering tot aanvullende zekerheid wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Elser c.s. worden bevolen zekerheid te stellen voor €11.665,00 voor proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02288
Datum13 februari 2026
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats], Oostenrijk,
3. HEAD SPORTS HOLDINGS N.V.,
gevestigd te Willemstad, Curaçao,
4. HEAD UK LTD.,
gevestigd te Kendal, Verenigd Koninkrijk,
EISERS in het incident, verweerders in cassatie,
hierna gezamenlijk: Head c.s.,
advocaat: J.W.H. van Wijk,
tegen
1. ELSER & COMPANY LTD.,
gevestigd op de Britse Maagdeneilanden,
2. CARLISLE INVESTMENTS INC.,
gevestigd op de Britse Maagdeneilanden,
VERWEERSTERS in het incident, eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Elser c.s.,
advocaat: R.R. Verkerk,
en tegen
5. KPMG ALPEN TREUHAND GMBH,
gevestigd te Wenen, Oostenrijk,
6. BOOMDAAL B.V., voorheen HLB van Daal Audit B.V,
gevestigd te Waalwijk,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: KPMG c.s.,
advocaten: P.A. Fruytier en F.M. Dekker.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/13/702237 / HA ZA 21-480 van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2023;
b. het arrest in de zaak 200.325.220/01 van het gerechtshof Amsterdam van 25 maart 2025.
Elser c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Head c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend en een incident tot zekerheidstelling opgeworpen.
KPMG c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. KPMG c.s. hebben het door hen opgeworpen incident tot zekerheidstelling ingetrokken.
Elser c.s. hebben geconcludeerd tot referte in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van KPMG c.s. en hebben een verweerschrift ingediend op het incident tot zekerheidstelling.
Head c.s. hebben voorts een uitlating in het incident genomen.
Elser c.s. hebben een reactie op uitlating in het incident ingediend.
De conclusie in het incident van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot het bevelen van het stellen van zekerheid door Elser c.s., ten behoeve van Head c.s., die voldoet aan de vereisten van art. 6:51 lid 2 BW Pro voor de proceskosten van deze cassatieprocedure, voor een bedrag van € 11.665,00 binnen twee weken na de datum van het arrest in het incident; tot veroordeling van Elser c.s. in de kosten van het incident zijdens Head c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien Elser c.s. deze niet voldoet binnen veertien dagen na de datum waarop het arrest in het incident is gewezen; tot afwijzing van de incidentele vordering tot zekerheidstelling van Head c.s. voor het overige.
De advocaat van Elser c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de incidentele vordering

2.1
In eerste aanleg hebben Elser c.s. zowel Head c.s. als KPMG c.s. in rechte betrokken en verklaringen voor recht en betaling van schadevergoeding gevorderd. De rechtbank [1] heeft deze vorderingen afgewezen.
2.2
Elser c.s. zijn in hoger beroep gegaan van het vonnis van de rechtbank. Het hof [2] heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.3
Nadat Elser c.s. cassatieberoep hadden ingesteld, hebben zowel Head c.s. als KPMG c.s. op de voet van art. 224 Rv Pro in verbinding met art. 414 Rv Pro een incidentele vordering ingediend strekkende tot veroordeling van Elser c.s. om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid. Zij hebben aan hun incidentele vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat Elser c.s. zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en geen woonplaats of vaste verblijfplaats in Nederland hebben en dat de Britse Maagdeneilanden geen partij zijn bij enig verdrag dat tot gevolg heeft dat er een tenuitvoerleggingsmogelijkheid van een proceskostenveroordeling bestaat.
2.4
Vervolgens hebben Elser c.s. zekerheid gesteld voor de proceskosten van KPMG c.s. Daarop hebben KPMG c.s. hun incidentele vordering ingetrokken, zodat daarop niet meer behoeft te worden beslist.
2.5
Vast staat dat Elser c.s. zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats hebben in Nederland, zodat in zoverre is voldaan aan het vereiste van art. 224 lid 1 Rv Pro. Gesteld noch gebleken is dat een van de in art. 224 lid 2 Rv Pro bedoelde uitzonderingen zich voordoet. Elser c.s. zijn dus gehouden zekerheid te stellen. De vordering van Head c.s. tot het stellen van zekerheid ten bedrage van € 11.665,-- is daarmee toewijsbaar.
2.6
Elser c.s. hebben aangeboden de door Head c.s. verlangde zekerheid te stellen door een bedrag over te maken naar de derdenrekening van (i) het kantoor van de advocaten van Head c.s. in feitelijke instanties, (ii) het kantoor van de cassatieadvocaten van Head c.s., dan wel (iii) het kantoor van de cassatieadvocaten van KPMG c.s. Head c.s. hebben dit aanbod niet aanvaard, waartoe zij onder meer hebben aangevoerd – kort gezegd – dat de hiervoor onder (i) en (ii) bedoelde advocatenkantoren hebben laten weten dat zij op grond van hun interne regels niet toestaan dat hun derdenrekeningen hiervoor worden gebruikt. Head c.s. hebben verzocht om zekerheidstelling door storting op de derdenrekening van de cassatieadvocaat van Elser c.s. Uit het procesdossier blijkt niet dat Elser c.s. met het hiervoor onder (iii) bedoelde advocatenkantoor overeenstemming hebben bereikt over storting op de derdenrekening van dat kantoor ten behoeve van Head c.s.
2.7
Op grond van art. 6:51 lid 1 BW Pro staat de vorm van de zekerheid in beginsel ter vrije keuze van degene die is verplicht tot het stellen van zekerheid. [3] Indien deze partij ervoor kiest om zekerheid te stellen door storting op de derdenrekening van een advocatenkantoor, brengt het bepaalde in art. 6:51 lid 2 BW Pro mee dat zij zich ervan dient te vergewissen dat het betrokken advocatenkantoor daaraan medewerking verleent. [4] Een en ander betekent dat – anders dan Elser c.s. aanvoeren – hun uit art. 6:51 lid 1 BW Pro voortvloeiende keuzevrijheid niet zo ver gaat dat Head c.s. waren gehouden om het hiervoor in 2.6 bedoelde aanbod van Elser c.s. tot zekerheidstelling te aanvaarden en dat de weigering van Head c.s. om dit aanbod te aanvaarden ertoe leidt dat hun incidentele vordering wegens gebrek aan belang moet worden afgewezen.
2.8
Head c.s. vorderen voorts aanvullende zekerheid voor het geval dat de hiervoor in 2.5 genoemde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is. Head c.s. hebben de noodzaak van een aanvullende zekerheid echter niet toegelicht en ook geen bedrag genoemd. Dit onderdeel van de vordering is dus onvoldoende onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
in het incident:
- beveelt dat Elser c.s. ten behoeve van Head c.s. zekerheid stellen voor een bedrag van € 11.665,-- ter zake van de proceskosten waartoe Elser c.s. in de procedure in cassatie zouden kunnen worden veroordeeld;
- bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk op 27 februari 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. in het cassatieberoep;
- veroordeelt Elser c.s. in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van Head c.s. begroot op € 800,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Elser c.s. deze niet binnen veertien na heden hebben voldaan;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
13 februari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 4 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:9.
2.Gerechtshof Amsterdam 25 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:745.
3.Zie bijvoorbeeld HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, rov. 3.3.6.
4.Vgl. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, rov. 3.2.2.