Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de incidentele vordering
3.Beslissing
13 februari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Elser c.s. hebben cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin hun vorderingen waren afgewezen. Head c.s. en KPMG c.s. stelden incidentele vorderingen tot zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie op grond van art. 224 Rv Pro in verbinding met art. 414 Rv Pro, omdat Elser c.s. gevestigd zijn op de Britse Maagdeneilanden zonder woonplaats in Nederland.
Elser c.s. hebben zekerheid gesteld aan KPMG c.s., waarna KPMG c.s. hun vordering introkken. Head c.s. vorderden zekerheid van €11.665,00, welke Elser c.s. aanboden te storten op derdenrekeningen van advocatenkantoren, maar Head c.s. weigerden dit aanbod vanwege interne regels. De Hoge Raad oordeelt dat de keuzevrijheid van Elser c.s. voor de vorm van zekerheid niet zo ver gaat dat Head c.s. verplicht zijn het aanbod te aanvaarden.
De Hoge Raad beveelt Elser c.s. zekerheid te stellen voor €11.665,00 uiterlijk 27 februari 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid, veroordeelt hen in de kosten van het incident en wijst het meer of anders gevorderde af. De vordering tot aanvullende zekerheid wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: Elser c.s. worden bevolen zekerheid te stellen voor €11.665,00 voor proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in cassatie.