Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Een exemplaar van nobele Koran, en bruidsgave van vijf miljoen en tweehonderdzestig en tweeënenhalf Rial plus honderdvijftig volle Bahar Azadi gouden munten en dertig miljoen rial voor Haj pelgrim en vijf miljoen rial voor de prijs van een stuk Sjaal, die als de schuld van de man aan de vrouw wordt beschouwd en op aanvraag aan haar verstrekt dient te worden.
(…)
Huwelijksvoorwaarden of een afzonderlijke bindende overeenkomst
A. Echtgenote heeft bedongen dat in geval de echtscheiding niet door de echtgenote is aangevraagd en volgens de bevindingen van de rechtbank deze niet veroorzaakt is door de weigering van de vrouw om haar echtelijke verantwoordelijkheden te voldoen of haar wangedrag, dan is de echtgenoot gehouden tot het overdragen van de helft van het bestaande vermogen dat verkregen is gedurende de gehuwde periode met de vrouw of de gelijke waarde daarvan om niet aan de echtgenote met het goedbevinden van de rechtbank.
(…)”
sui generis, derhalve als een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter. Hierdoor is deze niet gelijk te stellen aan de rechtsfiguur partneralimentatie dan wel aan een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. Het hof kwalificeert het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om aan zijn verplichting tot betaling van de bruidsgave te voldoen, als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte. Deze huwelijksakte is in Iran ten overstaan van een Iraanse ambtenaar opgemaakt en uit deze huwelijksakte vloeit naar het onbestreden oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig een rechtskeuze voor Iraans recht voort. Dit leidt ertoe dat het Iraanse recht van toepassing is ingevolge overeenkomstige toepassing van art. 3 lid 1 Verordening Pro Rome I. Deze verordening is in dit geval niet via een communautaire maar via een nationale regeling van toepassing (art. 10:154 BW Pro). Dit betekent dat kan worden toegekomen aan toepassing van de algemene bepalingen van Boek 10 BW, zoals art. 10:8 BW Pro. (rov. 5.14)
khulscheidingsprocedure. Anders dan de man naar voren heeft gebracht, heeft de vrouw met het initiëren van de echtscheiding dan ook geen afstand gedaan van de bruidsgave. Partijen hebben bij hun islamitisch huwelijk in Iran afspraken gemaakt naar Iraans recht. De bruidsgave vormt aldaar een essentieel onderdeel van het huwelijk en is een verplichting van de man en een aanspraak van de vrouw. Het hof ziet geen aanleiding om deze afspraken buiten toepassing te laten. Op de overeengekomen bruidsgave en de regels van nakoming en verjaring is Iraans recht van toepassing. Art. 10:8 BW Pro dient restrictief te worden uitgelegd. Op grond van deze bepaling blijft het aangewezen buitenlandse recht slechts in exceptionele gevallen buiten toepassing, te weten indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de nauwe band met dat buitenlandse recht slechts in zeer geringe mate bestaat en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. Hiervan is niet gebleken. Bovendien hebben partijen zelf afspraken gemaakt onder het Iraanse recht, zodat terughoudendheid om art. 10:8 BW Pro toe te passen gepast is. (rov. 5.21, eerste alinea)
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
khulscheidingsprocedure kent, zodat de vrouw met het initiëren van de echtscheiding in Nederland geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Het klaagt onder meer dat het enkele feit dat het Nederlandse recht geen
khulechtscheiding kent, niet meebrengt dat de bepalingen van het Iraanse recht over de
khulechtscheiding terzijde kunnen worden geschoven bij de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave.
khulechtscheiding kent. Voor de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave kon het hof dan ook niet volstaan met zijn oordeel dat het Nederlandse recht geen
khulechtscheiding kent.
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
17 juli 2026.