ECLI:NL:HR:2026:1278

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
25/01295
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:6 BWArt. 10:32 BWArt. 10:62 BWArt. 10:101 lid 2 BWArt. 10:100 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing Iraans echtscheidingsrecht en bruidsgave niet strijdig met Nederlandse openbare orde

De vrouw en de man, beiden Iraanse nationaliteit, zijn in 2006 in Iran getrouwd met afspraken over een bruidsgave in hun huwelijksakte. Na hun verhuizing naar Nederland vroeg de vrouw in 2022 echtscheiding aan, die in Nederland werd uitgesproken maar niet erkend in Iran. De vrouw vorderde betaling van een deel van de bruidsgave, bestaande uit gouden munten.

De rechtbank wees de vordering gedeeltelijk toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat de vrouw volgens Iraans recht afstand had gedaan van de bruidsgave omdat haar echtscheidingsverzoek niet was gebaseerd op de wettelijk of in de huwelijksakte opgenomen echtscheidingsgronden. De bruidsgave is volgens Iraans recht een vorm van financiële zekerheid verbonden aan het huwelijk en de echtscheiding.

De vrouw stelde dat deze toepassing in strijd was met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW Pro). De Hoge Raad bevestigt dat de beoordeling van openbare orde toetsing afhankelijk is van de feiten en omstandigheden, met name de betrokkenheid van Nederland. Gezien de omstandigheden is de toepassing van het Iraanse recht niet kennelijk onverenigbaar met de Nederlandse openbare orde, zodat de vrouw geen aanspraak heeft op de bruidsgave.

Het beroep van de vrouw wordt verworpen en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitkomst: De vrouw krijgt geen aanspraak op de bruidsgave omdat toepassing van Iraans recht niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01295
Datum17 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: aanvankelijk K. Aantjes, thans J.C. Zevenberg,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/18/219665 HA ZA 22/287 van de rechtbank Noord-Nederland van 21 december 2022, 22 maart 2023 en 15 november 2023;
b. het arrest in de zaak 200.335.444/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2025.
De vrouw heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vrouw en de man hebben de Iraanse nationaliteit. Zij zijn in december 2006 in Esfahan, Iran, met elkaar getrouwd.
(ii) In de door partijen ondertekende huwelijksakte is volgens de beëdigde Nederlandse vertaling, voor zover in cassatie van belang, het volgende opgenomen:
“(...)
Bruidsprijs en handtekening van de echtgenoten:
1. Een geschenk bestaande uit een koran, een spiegel met kandelaars, een rol termeh-stof, in totaal ter waarde van vijf miljoen en driehonderd rial;
2. Mahr al-soenna ten bedrage van tweehonderdtweeënzestig rial en half;
3. Een set gouden sieraden van 10/tien mithqal;
4. Achthonderd stuks volle Bahar-e Azadi gouden munten;
5. De kosten van een bedevaart naar Mekka en de graftombes van sjiitische heiligen in Irak, ten bedrage van negentien miljoen rial;
6. De prijs van 3 dang van een woning, ten bedrage van vierhonderd miljoen rial;
7. Een contante som voor de bruidsprijs ten bedrage van tweehonderd miljoen rial die echtgenoot volgens de sharia verschuldigd is en aan zijn echtgenote dient te betalen op het ieder moment dat zij ze opeist.
(...)
Overeengekomen voorwaarden tussen partijen:
(...)
B. Verder verleent echtgenoot aan echtgenote de bevoegdheid met het recht van substitutie om in onderstaande gevallen naar de rechtbank te stappen voor een echtscheidingsvergunning en na het kiezen van de soort echtscheiding ook een echtscheiding aan te vragen. Dat geldt ook wanneer echtgenote afstand doet van haar bruidsprijs waardoor echtgenoot akkoord gaat met een echtscheiding.
(…)
In onderstaande gevallen kan echtgenote de rechtbank verzoeken om middels een uitspraak de echtscheiding toe te staan:
1. Indien echtgenoot om welke reden dan ook weigert gedurende zes maanden het onderhoudsgeld te betalen, en zij niet in de mogelijkheid verkeert hem daartoe te verplichten. Eveneens is dit van toepassing indien de man overige basisrechten van de vrouw gedurende zes maanden schendt en zij niet in de mogelijkheid verkeert hem hiertoe te verplichten.
2. Indien het wangedrag en de manier van omgang van echtgenoot het samenleven met hem voor echtgenote ondraaglijk maakt.
(...)
8. Indien echtgenoot het gezin gedurende een periode van meer dan zes maanden en zonder geldige reden verlaat.
(...)
12. Indien echtgenoot zonder instemming van de eerste echtgenote een tweede huwelijk aangaat, of indien echtgenoot volgens het oordeel van de rechtbank niet rechtvaardig is ten aanzien van zijn echtgenoten.
(…)”
(iii) De man is in februari 2019 naar Nederland gekomen. De vrouw en de minderjarige dochter van partijen zijn in september 2021 naar Nederland gekomen.
(iv) De vrouw heeft in november 2022 in Nederland een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk is in mei 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Deze echtscheiding is niet erkend in Iran.
2.2
In dit geding vordert de vrouw veroordeling van de man tot voldoening van een deel van de overeengekomen bruidsgave, te weten achthonderd volle Bahar-e Azadi gouden munten.
2.3
De rechtbank heeft de vordering van de vrouw gedeeltelijk toegewezen.
2.4
Het hof [1] heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de vrouw afgewezen. Daartoe heeft het als volgt overwogen.
In geschil is de bruidsgave die partijen zijn overeengekomen in de Iraanse huwelijksakte. Vast staat dat partijen ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking op 30 december 2006 in Iran afspraken hebben gemaakt over een door de man aan de vrouw verschuldigde bruidsgave. (rov. 3.3)
De man stelt dat de vrouw naar Iraans recht door het indienen van het echtscheidingsverzoek afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Dat verzoek is namelijk niet gebaseerd op een van de echtscheidingsgronden die volgen uit de wet of de huwelijksakte van partijen. De vrouw betwist dat zij afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Partijen zijn volgens de vrouw naar Iraans recht nog gehuwd en de bruidsgave betreft een rechtsfiguur die los gezien moet worden van de echtscheiding. Dat de vrouw met het indienen van het echtscheidingsverzoek afstand zou hebben gedaan van de bruidsgave, is volgens haar daarnaast in strijd met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW Pro). (rov. 3.4)
De bruidsgave (mahr) is een rechtsfiguur in het islamitische recht. Het gaat om een toezegging tot betaling van geld en/of goederen van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Vanaf de dag van de huwelijkssluiting is de vrouw eigenaar en rechthebbende van de bruidsgave. Zij kan vanaf dat moment de bruidsgave op ieder moment opeisen. Dit volgt uit art. 1082 Iraans Pro BW. De bruidsgave moet bezien worden tegen de achtergrond dat naar islamitisch recht echtgenoten in beginsel ieder hun eigen vermogen behouden. Hoewel partijen afwijkende afspraken kunnen maken, kan de vrouw na de ontbinding van het huwelijk daardoor in principe geen aanspraak maken op het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van een echtscheiding. (rov. 3.5)
Naar Iraans recht kan de vrouw slechts op basis van een aantal gronden die volgen uit de wet of uit de huwelijksakte van partijen zelfstandig een echtscheidingsverzoek indienen. Indien het echtscheidingsverzoek van de vrouw is gebaseerd op een van die echtscheidingsgronden, behoudt zij haar aanspraak op de bruidsgave. De wettelijke echtscheidingsgronden voor Iraanse vrouwen zijn: ‘
the husband’s disappearance for a period of at least four years without any sign of life’ (art. 1029 Iraans Pro BW); ‘
the husband’s refusal to pay maintenance and the impossibility to force him to do so’ (art. 1129 Iraans Pro BW); ‘
the husband’s breach of any other marital duties and the impossibility to have him observe them’ (art. 1130 Iraans Pro BW). In de huwelijksakte hebben partijen (aanvullende) echtscheidingsgronden opgenomen. (rov. 3.6)
Indien de echtscheiding wordt verzocht door de vrouw en niet is gebaseerd op een van de genoemde echtscheidingsgronden, is sprake van een
khulechtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW. In geval van een
khulechtscheiding zal de vrouw aan haar echtgenoot een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden. De compensatie bestaat meestal uit de kwijtschelding van het onbetaalde deel van de bruidsgave, alsook uit elke andere vorm van compensatie. (rov. 3.7)
Anders dan de vrouw stelt, kan de bruidsgave niet los worden gezien van de echtscheidingsprocedure. De bruidsgave is immers een vorm van financiële zekerheid voor de vrouw voor na de echtscheiding. De bruidsgave is daarmee zodanig met het huwelijk en, in het bijzonder, de echtscheiding verbonden dat deze niet los van elkaar kunnen worden gezien. Dat partijen naar Iraans recht nog zijn gehuwd, maakt dit oordeel niet anders. Naar Nederlands recht heeft immers een rechtsgeldige echtscheiding plaatsgevonden. (rov. 3.8)
Niet in geschil is dat de echtscheiding is verzocht door de vrouw. De grond van het echtscheidingsverzoek is naar Iraans recht ‘
dislike of her husband’ (art. 1146 Iraans Pro BW), zodat sprake is van een
khulechtscheiding. Hieruit volgt dat de vrouw op grond van het Iraans BW niet zonder meer recht heeft op uitkering van de bruidsgave, maar dat zij op grond van Iraans recht de man compenseert, welke compensatie kan bestaan uit kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave of een andere vorm van compensatie. (rov. 3.9)
De vrouw stelt dat deze conclusie in strijd is met het in Nederland voor fundamenteel gehouden recht van de echtgenoten om van elkaar te kunnen scheiden, zodat op grond van art. 10:6 BW Pro de bepalingen uit het Iraans BW buiten toepassing moeten blijven. Hoewel het hof inziet dat de echtscheiding op deze manier negatieve financiële consequenties voor de vrouw heeft, maakt dit niet dat het voor haar onmogelijk is om van de man te scheiden. Een situatie van gevangenschap van de vrouw in het huwelijk is dus niet aan de orde. Bovendien geldt ook voor de man dat een initiatief tot echtscheiding van zijn zijde voor hem financiële consequenties heeft, aangezien hij in dat geval de bruidsgave moet voldoen. Daarbij komt dat het ook bij huwelijken naar Nederlands recht voorstelbaar is dat een van de echtgenoten negatieve financiële consequenties ondervindt door de echtscheiding. De negatieve financiële consequenties hetzij aan de zijde van de vrouw, hetzij aan de zijde van de man kunnen dan ook niet tot gevolg hebben dat de bepalingen uit het Iraans BW strijdig zijn met de Nederlandse openbare orde. Daarbij komt dat als de vordering van de vrouw zou worden toegewezen, de man geconfronteerd zou worden met de financiële consequenties van de echtscheiding. (rov. 3.10)
Op grond van het voorgaande komt aan de man het recht van compensatie toe. Nu die doorgaans in de vorm van kwijtschelding van de nog niet betaalde bruidsgave plaatsvindt, en onderhandelingen tussen partijen in het kader van de echtscheiding niet meer aan de orde zijn omdat de Nederlandse echtscheiding inmiddels een feit is, behoeft de man de nog niet betaalde Bahar-e Azadi gouden munten niet aan de vrouw te voldoen. De vordering van de vrouw om de man te veroordelen de munten aan haar te betalen, moet daarom worden afgewezen. (rov. 3.11)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.10) dat de compensatie die de vrouw op grond van art. 1146 Iraans Pro BW aan de man dient te betalen in geval van een
khulechtscheiding – in dit geval door kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave – niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro.
3.2
In zijn prejudiciële uitspraak van 19 november 2021 [2] heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“3.4.1 Het bepaalde in art. 10:6 BW Pro (…) is van toepassing indien het Nederlandse conflictenrecht het recht van een andere staat aanwijst. Daarbij is niet van belang of sprake is van geschreven of ongeschreven vreemd recht.
3.4.2
Het aan art. 10:6 BW Pro ten grondslag liggende beginsel dat in de Nederlandse rechtsorde geen rechtsgevolg toekomt aan vreemd recht voor zover de toepassing daarvan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, ligt ook ten grondslag aan de bepalingen van Boek 10 BW die inhouden dat aan een in het buitenland verrichte rechtshandeling erkenning wordt onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, te weten art. 10:32 BW Pro (‘huwelijk’), art. 10:62 BW Pro (‘geregistreerd partnerschap’) en art. 10:101 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 10:100 lid Pro 1, onderdeel c, BW (‘familierechtelijke betrekkingen’). Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat laatstgenoemde bepalingen moeten worden aangemerkt als bijzondere regels ten opzichte van art. 10:6 BW Pro.
3.4.3
Het past in het stelsel van Boek 10 BW en sluit aan bij de daarin geregelde gevallen – te weten art. 10:6 BW Pro en de hiervoor in 3.4.2 genoemde bijzondere regels – om te aanvaarden dat de openbare orde ook kan meebrengen dat in Nederland rechtsgevolg wordt onthouden aan een rechtshandeling die door een partij of door partijen is verricht in overeenstemming met geschreven of ongeschreven vreemd recht en volgens dat vreemde recht rechtsgeldig is, voor zover het toekennen van rechtsgevolg aan die rechtshandeling tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
(…)
3.6.1
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, kan kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die beperking tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan echter niet in algemene zin worden beantwoord, nu in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.
3.6.2
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van een van de echtgenoten afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag of die echtgenoot – kort gezegd – schuld heeft aan de echtscheiding door te weigeren de huwelijkse verplichtingen na te komen of vanwege immoreel gedrag, kan eveneens kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten en kan leiden tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die inbreuk tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan evenmin in algemene zin worden beantwoord, nu ook in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.
3.7
Op grond van het vorenstaande moet de eerste prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval, moet worden beoordeeld of bepalingen in huwelijkse voorwaarden als hiervoor in 3.6.1-3.6.2 bedoeld, kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.”
3.3
Hetgeen de Hoge Raad in zijn hiervoor in 3.2 genoemde uitspraak heeft overwogen, is van overeenkomstige toepassing bij de beantwoording van de in deze zaak aan de orde gestelde vraag of de toepassing van bepalingen van het Iraanse recht in samenhang met hetgeen partijen in hun huwelijksakte zijn overeengekomen over de bruidsgave, leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro. Toepassing van dat recht brengt in dit geval mee – zo volgt uit de in cassatie niet of tevergeefs bestreden rov. 3.5-3.9 van het arrest van het hof – dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de bruidsgave, omdat zij (in de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde procedure) echtscheiding heeft verzocht op een grond die niet overeenkomt met de Iraanse wettelijke echtscheidingsgronden of de aanvullende echtscheidingsgronden die in de huwelijksakte zijn opgenomen. De beoordeling of dit resultaat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro moet dus geschieden met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.
3.4
Het middel klaagt onder 6 dat het hof geen blijk ervan heeft gegeven betekenis toe te kennen aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval. De klacht verwijst echter niet naar vindplaatsen in de processtukken van de feitelijke instanties waar de vrouw zich heeft beroepen op feiten en omstandigheden die meebrengen dat de toepassing van bepalingen van het Iraanse recht in samenhang met hetgeen partijen in hun huwelijksakte zijn overeengekomen over de bruidsgave, in dit geval leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro. Daarop stuit die klacht af.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
17 juli 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:266.
2.HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.