ECLI:NL:HR:2026:1289

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/02999
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 6:22 AwbArt. 30a lid 2 letter b Wet WOZWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over vergoeding griffierecht en proceskosten bij WOZ-beschikking

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden over een WOZ-beschikking en een aanslag onroerendezaakbelasting 2021. Het geschil betrof of de heffingsambtenaar artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ had geschonden door niet alle gevraagde gegevens te verstrekken in de bezwaarfase, en of belanghebbende daarom recht had op vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het hof liet in het midden of sprake was van schending, maar oordeelde dat belanghebbende daardoor niet was benadeeld en wees vergoeding af. De Hoge Raad oordeelt dat ook bij toepassing van artikel 6:22 Awb Pro in geval van niet-benadeling in principe recht bestaat op vergoeding van griffierecht en proceskosten, tenzij bijzondere omstandigheden dat verhinderen, die gemotiveerd moeten worden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het hof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van dit arrest. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het bestuur tot vergoeding van het griffierecht en de kosten van de cassatieprocedure.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling van de schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ en de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02999
Datum17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2024, nr. BK-ARN 22/2265 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/1273) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: het Bestuur), vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.

2.De oordelen van het Hof

2.1
Voor het Hof was uitsluitend in geschil of de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft geschonden door in de bezwaarfase niet alle gegevens te verstrekken waarom was verzocht en of belanghebbende dus recht heeft op vergoeding van het griffierecht en op vergoeding van de proceskosten voor de bezwaar, beroeps- en hogerberoepsprocedure.
2.2
Het Hof heeft in het midden gelaten of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit artikel is geschonden, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld, omdat het Hof aannemelijk acht, gelet op wat belanghebbende in beroep tegen de waardebeschikking heeft aangevoerd, dat hij ook beroep zou hebben ingesteld als de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet zou hebben geschonden. Het Hof heeft daarom het eventuele gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro en geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van griffierecht.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Middel 1, dat onder meer opkomt tegen de beslissing van het Hof geen proceskostenvergoeding toe te kennen, is terecht voorgesteld. Ook indien een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kan worden gepasseerd omdat de belanghebbende door die schending niet is benadeeld, en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Bij toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kan de rechter alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet. [2]
3.2
Gelet op wat hiervoor in 3.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft voldaan. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4.Proceskosten

4.1
Het Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten van het geding voor het Hof, voor de kosten van het geding voor de Rechtbank en voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
4.2
De Hoge Raad zal de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure berekenen met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [3] . Het geval van belanghebbende is namelijk niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, aangezien volgens de gemachtigde van belanghebbende geen bewijs ervan kan worden geleverd dat haar bedrijfsmodel in het jaar 2024 niet voldoet aan de kenmerken zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van dat arrest. Aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd, zal hierbij de vermenigvuldigingsfactor 0,10 worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- veroordeelt het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 187 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

2.Zie HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, rechtsoverweging 4.4.2. Vgl. ook HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823, rechtsoverweging 2.3.
3.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.