ECLI:NL:HR:2025:1823

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
23/04269
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over proceskostenvergoeding en griffierecht in belastingzaken

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, tegen het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland. De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 september 2023, waarin het Hof had geoordeeld dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) had gehandeld door niet te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om bepaalde gegevens te verstrekken. Het Hof had echter geen proceskostenvergoeding toegekend aan belanghebbende, omdat het van mening was dat belanghebbende alleen formele punten had aangevoerd en geen materiële punten had ingebracht.

De Hoge Raad heeft deze beslissing vernietigd, oordelend dat een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ moet leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. De Hoge Raad concludeert dat het Hof ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend en dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van zowel de proceskosten als het griffierecht voor de gedingen voor het Hof en de Rechtbank. De Hoge Raad heeft de kosten van de rechtsbijstand vastgesteld en de bedragen voor de proceskostenvergoeding en griffierechten bepaald.

De uitspraak van de Hoge Raad benadrukt het belang van het naleven van de Wet WOZ en de rechten van belanghebbenden in belastingzaken, en bevestigt dat een schending van deze wet gevolgen heeft voor de proceskostenvergoeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04269
Datum19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 september 2023, nr. BK-22/00407 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/835) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2020.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Zowel belanghebbende als het Dagelijks Bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klacht

2.1
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de heffingsambtenaar) in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft gehandeld door in de bezwaarfase niet te voldoen aan het verzoek van belanghebbende de grondstaffels en de KOUDV-factoren van de woning en de vergelijkingsobjecten toe te sturen.
2.2
Het Hof heeft de heffingsambtenaar niet veroordeeld in de proceskosten voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank, en evenmin de heffingsambtenaar opgedragen het bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende in deze zaak uitsluitend formele punten heeft aangevoerd en geen enkel materieel punt heeft ingebracht. Het Hof leidt hieruit af dat belanghebbende toch wel in beroep zou zijn gegaan, hetgeen betekent dat het al dan niet verstrekken van de gegevens door de heffingsambtenaar geen verschil heeft gemaakt voor de beslissing om door te procederen.
2.3
De klacht richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof. De klacht slaagt, aangezien een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, dient te leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 4.4.4 en 4.5.3 van zijn arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106. De omstandigheid dat zonder de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep en hoger beroep zouden zijn ingesteld, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat er nog andere omstandigheden zijn die het achterwege blijven van een proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen. Het Hof had dus vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar moeten veroordelen in de proceskosten. Het Hof had eveneens de heffingsambtenaar moeten opdragen aan belanghebbende het bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht te vergoeden.
2.4
Gelet op wat hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Aan belanghebbende dient alsnog een vergoeding van proceskosten en griffierecht te worden toegekend voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank. De te vergoeden proceskosten bestaan uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij het vaststellen van de vergoeding daarvan zal worden uitgegaan van (i) twee proceshandelingen in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, twee proceshandelingen in hoger beroep (hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, (ii) factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak in beroep en hoger beroep vanwege de omstandigheid dat in deze zaak een conclusie is genomen door een Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad, en (iii) een waarde per punt zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest, dus van € 907. Dat komt neer op een vergoeding van € 2.721 voor het geding voor de Rechtbank en een vergoeding van € 2.721 voor het geding voor het Hof.

3.Proceskosten

Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 23/04269, 23/04270 en 23/04271 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze het griffierecht en de proceskosten betreft,
- draagt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 49,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een derde van € 6.123, oftewel € 2.041, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 2.721 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 2.721 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.