ECLI:NL:HR:2026:1027
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen gezag van gewijsde in belastingrecht bij precariobelasting
Belanghebbende, een beheerder van elektriciteitsnetwerken, was het niet eens met een aanslag precariobelasting voor 2016 opgelegd door de gemeente Hulst. Het geschil betrof een deel van de kabels in gemeentegrond die volgens belanghebbende rechtens gedoogd moesten worden op grond van contractuele afspraken met de gemeente.
Eerder had het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat voor het jaar 2015 een vrijstelling van precariobelasting gold voor alle kabels met aansluiting op het netwerk van belanghebbende. De Hoge Raad had dat oordeel bevestigd. In de procedure over 2016 stelde belanghebbende dat dit eerdere oordeel gezag van gewijsde had en dat de aanslag daarom onterecht was.
Het hof oordeelde echter dat in het belastingrecht elke aanslag op zichzelf moet worden beoordeeld en dat het civielrechtelijke leerstuk van gezag van gewijsde niet van toepassing is. Het hof stelde dat alleen kabels behorende tot de aansluiting van het gemeentehuis en openbare verlichting gedoogplichtig zijn, en dat voor andere kabels precariobelasting verschuldigd is.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad benadrukt dat artikel 236 lid 1 Rv Pro, dat gezag van gewijsde regelt, niet van toepassing is op belastingrechtelijke procedures. De belastingrechter beoordeelt slechts de rechtmatigheid van de aanslag en stelt geen civielrechtelijke rechtsverhouding vast. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en goede procesorde staan het opleggen van de aanslag niet in de weg.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sluit de zaak af met bevestiging van het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het civielrechtelijke leerstuk van gezag van gewijsde niet geldt in het belastingrecht, waardoor de aanslag precariobelasting 2016 terecht is opgelegd.