Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 juni 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft DBS2 Nederland B.V. obligaties uitgegeven aan 63 obligatiehouders die hun vorderingsrechten op DBS2 hebben verbonden aan een privatieve last ten gunste van de Stichting Obligatiehouders DBS2. DBS2 liet de obligatiehouders onbetaald, waarna de Stichting faillissement aanvroeg. De rechtbank wees het verzoek af omdat zij meende dat door de privatieve last slechts één schuldeiser bestond, terwijl het pluraliteitsvereiste niet was voldaan.
Het gerechtshof vernietigde deze beslissing en verklaarde DBS2 failliet, stellende dat de privatieve last niet leidt tot overdracht van de vorderingen en dat de pluraliteit van schuldeisers daardoor wel degelijk aanwezig is. De Stichting beschikt zelf over een opeisbare vordering en oefent de vorderingsrechten uit namens de obligatiehouders.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en oordeelt dat de vordering van de schuldeiser die een last heeft verleend aan een derde om namens hem op te treden, als steunvordering kan dienen bij het faillissementsverzoek van die derde. Het beroep van DBS2 wordt verworpen, waarmee de uitspraak van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vordering van een schuldeiser met een privatieve last als steunvordering kan dienen bij faillissementsaanvragen.