Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd waarop bezwaar werd gemaakt door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. De Inspecteur wees het bezwaar af, de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigde deze uitspraken en mat de naheffingsaanslag. Het hof kende vergoeding toe voor kosten van beroepsmatige rechtsbijstand bij bezwaar, beroep en hoger beroep, berekend op basis van een waarde per punt van €310.
Belanghebbende stelde cassatie in tegen de hoogte van de vergoeding, stellende dat het hof had moeten uitgaan van een hogere waarde per punt (€624) conform een eerder arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht slaagt en stelde de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand bij bezwaar vast op €1.294, gebaseerd op het aantal punten en wegingsfactor van het hof, maar met de hogere waarde per punt.
De Hoge Raad oordeelde verder dat de vergoeding voor de kosten van de cassatieprocedure nog niet kon worden vastgesteld wegens onvoldoende gegevens en stelde belanghebbende in de gelegenheid om nadere informatie te verstrekken, waarna de Staatssecretaris kan reageren. De zaak wordt aangehouden voor deze procedure.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 25 april 2025.