Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:681

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
24/03394
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 lid 1 AwbArt. 7:15 lid 2 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmArt. IV Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad stelt vergoeding rechtsbijstand bij bezwaar BPM vast en wijst nadere procedure toe

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd, waartegen bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank kende een vergoeding toe voor rechtsbijstand in beroep, maar niet voor bezwaar. Het hof vernietigde dit en kende ook voor bezwaar een vergoeding toe, gebaseerd op een lagere puntwaarde dan volgens het recente arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 van toepassing was.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet de hogere puntwaarde toepaste die geldt voor belastingzaken en stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op €1.294. Over de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure zelf kan de Hoge Raad nog geen beslissing nemen vanwege onvoldoende feiten en vraagt belanghebbende nadere gegevens.

De zaak wordt aangehouden voor nadere procedure waarbij belanghebbende en de Staatssecretaris kunnen reageren. De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris in de kosten van cassatie en verwijst naar samenhangende zaken. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.

Uitkomst: De Hoge Raad stelt de vergoeding voor rechtsbijstand bij bezwaar BPM vast op €1.294 en houdt verdere beslissing over cassatieproceskosten aan voor nadere gegevens.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03394
Datum25 april 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 augustus 2024, nr. BK-23/708 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/3101), betreffende een op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb toegekende vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

2.1
Aan belanghebbende is op 26 november 2021 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen opgelegd. Het daartegen door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener namens belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 26 juni 2023 het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard. Zij heeft belanghebbende op de voet van artikel 8:75, lid 1, Awb een vergoeding toegekend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep. Voor een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar zag de Rechtbank geen aanleiding, omdat belanghebbende het geschilpunt waarop zij in beroep in het gelijk wordt gesteld, niet al in het bezwaarschrift aan de orde had gesteld.
2.2
Het Hof heeft het tegen de uitspraak van de Rechtbank ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 7 augustus 2024 gegrond verklaard, de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag verder verminderd. Het Hof heeft hierin aanleiding gezien om op de voet van artikel 8:75, lid 1, Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:15, lid 2, Awb, de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opnieuw vast te stellen.
Het Hof heeft vervolgens ook een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar. Die vergoeding heeft het Hof op grond van artikel 1, aanhef en letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), in samenhang gelezen met punten 1 en 2 van onderdeel A5 en punt 1 van onderdeel B2 van de bij het Besluit behorende bijlage (tekst 2024; hierna: de Bijlage), vastgesteld op € 620, uitgaande van 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting), wegingsfactor 1, en een waarde per punt van € 310.
2.3
Het cassatieberoep is ingesteld onder aanvoering van één klacht, te weten dat het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (hierna: het arrest van 12 juli 2024), bij het vaststellen van de hiervoor in 2.2 bedoelde vergoeding voor de bezwaarfase had moeten uitgaan van de in punt 2 van onderdeel B2 van de Bijlage vermelde waarde per punt van € 624.
Die klacht slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1, 5.8.2 en 6.3 van het arrest van 12 juli 2024.
2.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.4.2
De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar vast op € 1.294, uitgaande van het door het Hof vastgestelde aantal punten en de door het Hof toegepaste wegingsfactor 1 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. [2]

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 24/03078, 24/03087, 24/03106, 24/03287, 24/03288, 24/03388, 24/03389, 24/03394 en 24/03395 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit. Met betrekking tot de hoogte van deze vergoeding overweegt de Hoge Raad in onderdeel 4 als volgt.

4.Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

4.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, [3] gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
4.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 4.1 bedoelde beoordeling te maken.
4.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. De Staatssecretaris zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.

5.Beslissing

De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 4.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.

Voetnoten

2.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
3.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.