ECLI:NL:HR:2025:507
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt Hofuitspraak over waardering certificaten aandelen met verhuurde woningen in schenkbelasting
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de waardering van certificaten van aandelen in een besloten vennootschap die een vastgoedportefeuille bezit met verhuurde woningen. De kern van het geschil is of de waarderingsregels voor onroerende zaken in de Successiewet 1956 ook rechtstreeks van toepassing zijn op certificaten van aandelen in zo’n vennootschap.
Het Hof had geoordeeld dat de waardebepaling van de woningen volgens de WOZ-waarde met toepassing van de leegwaarderatio moest plaatsvinden, zoals voorgeschreven in artikel 21, lid 5 en 8, Successiewet 1956. De Hoge Raad stelt echter dat deze bijzondere waarderingsvoorschriften niet rechtstreeks gelden voor certificaten van aandelen, omdat het hier niet gaat om directe vermogensbestanddelen maar om aandelen in een vennootschap.
De Hoge Raad oordeelt dat de WOZ-waarde en de leegwaarderatio wel als hulpmiddel kunnen worden gebruikt bij de waardering van de certificaten, maar dat de waardering in het economische verkeer moet worden vastgesteld volgens de algemene regel van artikel 21, lid 1, Successiewet 1956. Het arrest vernietigt het oordeel van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor nader onderzoek naar de intrinsieke waarde van de certificaten en het waardedrukkend effect van de verhuurde staat van de woningen.
De klachten van belanghebbende in het incidentele cassatieberoep worden ongegrond verklaard. De Hoge Raad neemt geen beslissing over de proceskosten in cassatie en laat de vergoeding van kosten voor het Hof over aan het verwijzingshof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de waardering van certificaten van aandelen met verhuurde woningen.