ECLI:NL:HR:2025:336

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
23/00143
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPM 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens juiste toepassing koerslijstmethode EurotaxGlass’s

Belanghebbende was het niet eens met de door de Inspecteur vastgestelde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). De discussie betrof de juiste waardering van de handelsinkoopwaarde van een personenauto, waarbij belanghebbende de koerslijstmethode van EurotaxGlass’s toepaste inclusief de correctiefactoren voor marktsituatie en marktsituatie handelaar.

Het Gerechtshof Den Haag had de naheffingsaanslag in stand gelaten, maar de Hoge Raad oordeelde dat de correctiefactoren in de koerslijst ten tijde van het belastbare feit (13 juni 2018) nog geldig waren en toegepast mochten worden. Hierdoor moest de inkoopwaarde worden verlaagd en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig worden verminderd.

Daarnaast werd een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure behandeld. De Hoge Raad constateerde een overschrijding van niet meer dan zes maanden, wat in dit geval volstond met een constatering.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de naheffingsaanslag betrof, matigde de aanslag tot € 3.613, en veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Hiermee werd het beroep in cassatie gegrond verklaard.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 3.613 door toepassing van de juiste koerslijstcorrecties.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/00143
Datum28 februari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 december 2022, nrs. BK-21/01123 en BK-21/01186 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/5746) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Voor zover deze conclusie klachten bevat die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde gronden van het beroep in cassatie, gaat de Hoge Raad aan die klachten voorbij. [2] De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [3]
1.3
Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2.Beoordeling van de klacht

2.1
De klacht slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/00142, ECLI:NL:HR:2025:248.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.3.1
In het hogerberoepschrift van belanghebbende is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de inkoopwaarde vast op € 27.669. Dit is de inkoopwaarde volgens de koerslijst van AutotelexPro, die in het rapport van hertaxatie van de Dienst Domeinen zit.
In dit rapportage zit ook een koerslijst van Eurotaxglass's, zie bijlage 2a. Die koerslijst genereert een lagere inkoopwaarde, als daarin tenminste de correctiefactoren 'bijstelling markt- en dealersituatie' worden toegepast.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 15-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, geldt dat alle correctiefactoren in Eurotaxglass's mogen worden toegepast. Bij deze pas ik de bovengenoemde bijstellingen toe. Dat leidt tot een vermindering van 15%. De inkoopwaarde komt op € 25.414.”
2.3.2
Vaststaat dat in deze zaak ten tijde van het belastbare feit (de registratie van de in het geding zijnde personenauto op 13 juni 2018) de koerslijst van EurotaxGlass’s de factoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ bevatte. Belanghebbende heeft voor het Hof berekend dat bij toepassing van die koerslijst en die factoren de handelsinkoopwaarde van de in het geding zijnde personenauto moet worden gesteld op het hiervoor in 2.3.1 vermelde bedrag van € 25.414 en dat alsdan de voor de registratie van die personenauto verschuldigde belasting van personenauto’s en motorrijwielen € 4.441 bedraagt. De juistheid van deze berekening is als zodanig door de Inspecteur niet bestreden. Dit betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.613.

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 20 januari 2025 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 januari 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.
Omdat het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4]

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 23/00142 en 23/00143 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover deze de naheffingsaanslag betreft,
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.613,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 5.442, oftewel € 2.721, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2025.

Voetnoten

2.Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.
3.ECLI:NL:PHR:2024:473, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:487.
4.Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.3.