ECLI:NL:HR:2025:1955

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23/04270
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over proceskosten en griffierecht in belastingzaak

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, tegen het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland. De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 september 2023, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De kwestie draait om een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2020.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klacht van belanghebbende slaagt op basis van rechtsoverweging 2.3 van een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2025:1823). Hierdoor kon de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad heeft de zaak afgedaan en bepaald dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van proceskosten en griffierecht voor de gedingen voor zowel het Hof als de Rechtbank. De Hoge Raad heeft de vergoedingen vastgesteld op € 1.814 voor de Rechtbank en € 1.814 voor het Hof, met een extra vergoeding van € 2.041 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de cassatieprocedure.

De Hoge Raad heeft het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van de gedingen voor het Hof en de Rechtbank. Dit arrest is openbaar uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, met de waarnemend griffier aanwezig.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04270
Datum19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 september 2023, nr. BK-22/00406 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/999) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2020.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: het dagelijks bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

2.1
De klacht slaagt op de grond die is vermeld in rechtsoverweging 2.3 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/04269, ECLI:NL:HR:2025:1823, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2
Gelet op wat hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Aan belanghebbende dient alsnog een vergoeding van proceskosten en griffierecht te worden toegekend voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank. De te vergoeden proceskosten bestaan uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij het vaststellen van de vergoeding daarvan zal worden uitgegaan van (i) twee proceshandelingen in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, twee proceshandelingen in hoger beroep (hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, (ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in beroep en hoger beroep, en (iii) een waarde per punt zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest, dus van € 907. Dat komt neer op een vergoeding van € 1.814 voor het geding voor de Rechtbank en een vergoeding van € 1.814 voor het geding voor het Hof.

3.Proceskosten

Het dagelijks bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 23/04269, 23/04270 en 23/04271 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze het griffierecht en de proceskosten betreft,
- draagt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 49,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een derde van € 6.123, oftewel € 2.041, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.